Deelnemers

Totnogtoe hebben 20 personen zich opgegeven, waaronder:

Martijn van den Bosch, Stec Groep
Kobe Boussauw, Cosmopolis Centre for Urban Research - Vrije Universiteit Brussel: Visie voor transitie: het verkennend ruimtelijk onderzoek voor de stadssnelweg B401 in Gent

Het draagvlak voor grote infrastructuurprojecten in dichtbevolkte omgevingen kalft zienderogen af, een argument dat nadrukkelijk aanwezig is in een aantal lopende debatten rond de toekomst van bestaande stadssnelwegen. Het is in deze context dat in 2018 een verkennend ruimtelijk onderzoek naar de toekomst van de B401, het viaduct dat het centrum van Gent rechtstreeks met het snelwegennet verbindt, werd gevoerd. De opdracht van de Stad Gent werd uitgevoerd door een consortium van de bureaus Tractebel en 51N4E, ondersteund door experten van Granstudio, Vrije Universiteit Brussel en Wageningen U&R. De voorliggende paper biedt inkijk in de problematiek, het proces, en de voorgestelde oplossingsrichtingen. De context voor het ontwerpend onderzoek is het werken aan een meer leefbare stad, waar de nadruk op wonen en nabijheid ligt, veeleer dan op snelle autobereikbaarheid. Binnen deze visie werd via een participatief proces een transitietraject ontwikkeld. Daarbij worden drie systemen onderscheiden: een dynamische leefomgeving, een stedelijk landschap en een alternatief mobiliteitsmilieu. Implementatie gebeurt geleidelijk, op basis van een viertal experimenten: (1) tijdelijke invullingen op en onder het viaduct, (2) het vergroenen en ontharden van restruimtes, (3) lokale voedselproductie, en (4) een nieuwe bovenlokale verbinding in de vorm van een – mogelijk zelfrijdende – shuttle, die ook de toekomstige transferia met de activiteitencentra zal verbinden. Het transitietraject wordt ontwikkeld op basis van drie geprojecteerde ‘momentopnames’ op korte, middellange, en lange termijn, waarbij het viaduct systematisch van zijn verkeersfunctie wordt ontdaan en de mogelijkheid wordt gecreëerd om (delen van) het viaduct te herbestemmen of permanent te verwijderen.

co-auteurs zijn: Oscar Broeckhoven & Koen Van den Troost

Lieve Custers, Universiteit Hasselt: Participatieve maatschappelijke kostenbaten-analyse als tool om het verkavelingsdebat te openen: een eerste test in de Heilig-Hartwijk te Hasselt

Verkavelingen blijven de favoriete woonomgeving van de doorsnee Belg. Maar, de lage dichtheid, het uniforme karakter en de autoafhankelijkheid van deze woonomgevingen zorgen dat de maatschappelijke kosten stilaan onhoudbaar worden. In Vlaanderen wordt er op dit moment een hevig debat gevoerd rond het herverdelen van deze kosten, maar ondanks dit debat blijven we doorverkavelen. De onderzoekshypothese stelt dat dit debat enkel impact zal hebben als het meer concreet wordt door oa. de kosten en baten van alternatieve woonmodellen tastbaar te maken. Een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) is een methode om de maatschappelijke kosten en baten van scenario’s te analyseren en tegen over elkaar af te zetten. Het opzet is om een model te ontwikkelen voor een ‘participatieve MKBA’ die toelaat dat een collectief van bewoners, lokale overheden en lokale organisaties alternatieve toekomsten voor hun verkaveling coproduceren, en vervolgens de kosten en baten van deze toekomsten doorrekenen. We passen dit model toe op een meer afgelegen verkaveling in Diepenbeek en een centraal gelegen wijk in Hasselt. In de paper wordt een eerste toetsing van dit model besproken aan de hand van een concrete case in de Heilig-Hartwijk in Hasselt. We bespreken het collectieve proces van probleemanalyse, bepalen van idealen, ontwikkelen van alternatieven en keuze van de afwegingscriteria. Afhankelijk van de voortgang van het participatieproces wordt hier nog het meten en doorrekenen van de alternatieven aan toegevoegd.

David Dooghe, Vereniging Deltametropool
Erik van den Eijnden, Ministerie Infrastructuur en Waterstaat
David Evers, Planbureau voor de Leefomgeving: Implementatie wind-op-land vanuit een ruimtelijk perspectief

Ongeveer tien jaar geleden is in Nederland een nationale doelstelling gesteld voor 6.000 MW wind-op-land in 2020. Het is een geschikt moment om een reflectie te geven op de manier waarop deze doelstelling is geïmplementeerd. De ervaring leert dat dit niet soepel is verlopen op het moment dat de voornemens van windenergie het systeem van de ruimtelijke ordening ingaan en concreet vorm krijgen. Het is daarom belangrijk om de implementatie niet alleen vanuit de klimaat- en energiedoelstelling te bekijken, maar ook vanuit de planningtheorie. De overgang naar een meer duurzame energievoorziening is dus een dubbele opgave: zowel de opgave om tijdig meer duurzame energie te realiseren in Nederland, als de opgave om duurzame energie in de dagelijkse leefomgeving te integreren op een manier die kan rekenen op een zo groot mogelijk draagvlak. Het Rijk heeft in 2014 een geïntegreerde kader opgesteld voor wind-op-land. De insteek is verwant met het naoorlogse blauwdrukplanning: gebieden aanwijzen op basis van technocratisch criteria en uitvoeringsplannen opstellen; goede landschappelijke inpassing moest voor draagvlak zorgen. De ervaringen in de provincies verschillen nogal. Wij hebben gemerkt dat er sprake is van een disbalans in aandacht op diverse schaalniveaus. Hogere overheden hebben meer aandacht voor de energiedoelstellingen en lagere overheden voor ruimtelijke inpassing en draagvlak. Ook praten partijen vaak niet met elkaar maar langs elkaar heen. Ook blijkt het bepalen van grenzen (bijvoorbeeld zoekgebieden) een lastige zaak, wat allerlei neveneffecten kan hebben.

Lilian van Karnenbeek, Wageningen University & Research: Paal en perk stellen aan het experiment?

Het handelen in de planningspraktijk is menigmaal gebaseerd op ervaringen. Een ervaring kan gedefinieerd worden als verkregen kennis van de gang van zaken door observatie en betrokkenheid bij planningspraktijken. Door de eeuwen heen zijn deze ervaringen vertaald in tal van formele en informele instituties. Tegenwoordig lijkt echter niet de ervaring centraal te staan, maar het experiment. Planners, zowel in de praktijk als in de wetenschap, omarmen concepten als ‘living lab’ of ‘proeftuin’ waarbij de stad wordt gepositioneerd als een laboratorium om de werkelijkheid in na te bootsen. Deze sterk positivistische insteek is vaak gestoeld op het idee dat middels een experiment vastgestelde institutionele condities deels of helemaal losgelaten kunnen worden. Niettemin omdat deze institutionele condities vaak als belemmering worden beleefd. Ondanks dat het experiment meer discretionele ruimte kan bieden, is dit niet altijd wenselijk omdat het riskeert het fundament van bestaande instituties te verwaarlozen. Het experimenteren met de leefomgeving van burgers kan onverwachte consequenties en effecten veroorzaken met brede socio-economische impacts tot gevolg. Hoewel de context van de planningspraktijk veranderlijk is, zijn er wel degelijk constante conditionele normen die de maatschappij proberen te beschermen tegen vormen van sociale ongelijkheid of juist veiligheid en gezondheid proberen te preserveren. Dit artikel laat de beperking van het experiment en het gevaar van het ontkennen van instituties zien aan de hand van een voorbeeld van de gebiedsontwikkeling Oosterwold te Almere. We kijken met een kritische blik naar de rol en de verplichtingen van de overheid in deze experimenten binnen het kader van good governance.

Peter van de Laak: Dashboard voor stedelijke regio's
Kristien Lefeber, Provincie Limburg: De integrale omgevingsvisie, een utopie?

De ambitie om zoveel mogelijk maatschappelijke transities mee te nemen in lopende ruimtelijke transformaties vraagt om integratie. Dit is ook de kern van de nieuwe integrale omgevingswet in Nederland. Deze Omgevingswet is gericht op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Men streeft ook naar het doelmatig beheer, gebruik en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. Deze wet bevat 6 kerninstrumenten waarvan de omgevingsvisie er één van is. De omgevingsvisie heeft betrekking op alle terreinen van de leefomgeving. Een omgevingsvisie gaat in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed…

Kristien Lefeber – opdracht voor het Vlaams planbureau voor Omgeving (VPO), Departement Omgeving

Melika Levelt, Hogeschool van Amsterdam: Lerend ontwikkelen. Van tijdelijk experiment naar nieuw planning paradigma?

Burgers, creatieve ondernemers en maatschappelijke organisaties speelden de afgelopen jaren een belangrijke rol bij het invullen van braakliggende terreinen en leegstaand vastgoed. Op vele plekken zijn zo buurtmoestuinen, creatieve broedplaatsen en levendige bedrijventerreinen ontstaan. Bewust of uit noodzaak is de ontwikkeling van deze plekken vaak open en zoekend van aard. Deze ‘incrementele’ ontwikkelwijze heeft de potentie om ruimtelijke ontwikkelingsprocessen een meer kort-cyclisch en lerend karakter te geven. Wanneer hierbij verbinding wordt gezocht met lokale gemeenschappen kan dit bovendien de legitimiteit van de ontwikkeling versterken. In de praktijk blijkt de mate waarin deze projecten invloed uitoefenen op meer definitieve planvorming echter beperkt. Op basis van onderzoek naar 12 projecten in Amsterdam en Groningen gaan we in dit paper op zoek naar verklaringen: wat zijn kansen en belemmeringen voor incrementele gebiedsontwikkeling? Onze bevindingen laten zien dat incrementeel ontwikkelen veel vraagt van burgers, overheden en marktpartijen. Het vereist professionele vermogens en een lange adem bij maatschappelijke actoren om uit het hoekje van tijdelijkheid en experiment te komen. Het vereist ook een meer open en flexibele houding van overheden, terwijl bestaande werkprocessen hier vaak onvoldoende op zijn ingericht. Als gevolg sneuvelen veel projecten onder toenemende druk van markt en politiek. We sluiten af met enkele denkrichtingen voor hoe een meer open wijze van planvorming eruit zou kunnen zien en reflecteren op de haalbaarheid en wenselijkheid van dit nieuwe planning paradigma.

Dit paper dien ik in samen met Karin de Nijs

Merten, Vereniging Deltametropool: Handelslandschappen

De fysieke oplossingen van handel en logistiek hebben in Nederland geleid tot een efficiënt en hoog gewaardeerd cultuurlandschap van havens, kanalen, (ruil)verkavelingen, (spoor)wegen en opslaglocaties, tijdens de Hanze, VOC en naoorlogse periode. Ondanks de groeiende eisen aan ruimtelijke efficiëntie en kwaliteit, lijken de huidige logistieke ontwikkelingen te breken met deze traditie. Is het logistieke landschap dat ontstaat in de Rijn-Maas delta te sturen, zodanig dat het bijdraagt aan een aantrekkelijk metropolitaan vestigingsklimaat? Een nieuwe generatie logistieke bouwwerken, zoals distributie- en fulfilment centra (AliExpress, Amazon etc.), is schijnbaar ‘footloose’ en vluchtig (verwachte commerciële levensduur 15 jaar). Door de grote voetafdruk van deze structuren, die jaarlijks met 1,5 miljoen vierkante meter toenemen in Nederland, zijn ze de grootste consument van ruimte na woningbouw. Ze overstijgen de schaal van de architectuur en genereren hun eigen landschap. Tegelijkertijd lijkt schaal op zichzelf niet het probleem – Maasvlakte II trekt immers grote aantallen recreatieve bezoekers uit binnen- en buitenland – maar eerder locatiekeuze, typologie en vestigingspatroon. De paper plaatst de huidige trends in handel en logistiek in het perspectief van de historische ontwikkeling van Nederland als handels- en distributieland. Voorbeelden van trends die ruimtelijke impact zullen hebben zijn de nieuwe Chinese Zijderoute, last-minute bezorging in de stad en de circulaire economie die nieuwe retourstromen veroorzaakt. Er is speciale aandacht voor de invloed van ruimtelijke planning en beleid omtrent handel in de Rijn-corridor, de logistieke ruggengraat van Nederland waar de ‘zachte’ factoren van natuur en recreatieve landschappen (belangrijk voor de kenniseconomie) onder hoge druk staan.

Elin Nieland, Wageningen University & Research: Wat is er gebeurd met Planners’ Paradise?

Met een groeiend tekort van woningen komt het Nederlands grondbeleid steeds meer onder de aandacht. Jarenlang hebben gemeenten zelf strategische grondposities ingenomen om woningbouwontwikkeling mogelijk te maken. Deze actieve houding van grondbeleid is echter steeds meer bekritiseerd sinds de economische crisis van 2008, die veel financiële verliezen met zich mee bracht voor het gemeentelijk grondbedrijf. Ondanks dat er wordt gepleit voor een andere vorm van grondbeleid, is het niet duidelijk hoe gemeenten momenteel hun grondbeleid inzetten voor woningbouw. Nieuwe ambities als gevolg van maatschappelijke veranderingen, zoals binnenstedelijke ontwikkeling en duurzaamheid, zijn daarnaast toegevoegd aan de woningbouwdoelstellingen. Om een duidelijk beeld te krijgen hoe gemeenten met deze nieuwe doelstellingen omgaan is een kritische analyse van gemeentelijk grondbeleid van belang. In deze paper analyseren we de huidige inzet van grondbeleid ten opzichte van de nieuwe woningbouwdoelstellingen. Ook proberen we inzicht te krijgen in de dynamiek van grondbeleid over tijd. Door middel van enquêteresultaten verspreid over verschillende Nederlandse gemeenten vanuit het onderzoek Grond voor Wonen en ondersteunend literatuuronderzoek bediscussieerd deze bijdrage in hoeverre de crisis van 2008 heeft geleid tot een verschil tussen Nederlandse gemeenten en hun inzet van grondbeleid.

Auteurs: Elin Nieland, Rick Meijer, Arend Jonkman en Thomas Hartmann

Karin De Nijs, Hogeschool van Amsterdam: Lerend ontwikkelen: Van tijdelijk experiment naar nieuw planning paradigma?

Burgers, creatieve ondernemers en maatschappelijke organisaties speelden de afgelopen jaren een belangrijke rol bij het invullen van braakliggende terreinen en leegstaand vastgoed. Op vele plekken zijn zo buurtmoestuinen, creatieve broedplaatsen en levendige bedrijventerreinen ontstaan. Bewust of uit noodzaak is de ontwikkeling van deze plekken vaak open en zoekend van aard. Deze ‘incrementele’ ontwikkelwijze heeft de potentie om ruimtelijke ontwikkelingsprocessen een meer kort-cyclisch en lerend karakter te geven. Wanneer hierbij verbinding wordt gezocht met lokale gemeenschappen kan dit bovendien de legitimiteit van de ontwikkeling versterken. In de praktijk blijkt de mate waarin deze projecten invloed uitoefenen op meer definitieve planvorming echter beperkt. Op basis van onderzoek naar 12 projecten in Amsterdam en Groningen gaan we in dit paper op zoek naar verklaringen: wat zijn kansen en belemmeringen voor incrementele gebiedsontwikkeling? Onze bevindingen laten zien dat incrementeel ontwikkelen veel vraagt van burgers, overheden en marktpartijen. Het vereist professionele vermogens en een lange adem bij maatschappelijke actoren om uit het hoekje van tijdelijkheid en experiment te komen. Het vereist ook een meer open en flexibele houding van overheden, terwijl bestaande werkprocessen hier vaak onvoldoende op zijn ingericht. Als gevolg sneuvelen veel projecten onder toenemende druk van markt en politiek. We sluiten af met enkele denkrichtingen voor hoe een meer open wijze van planvorming eruit zou kunnen zien en reflecteren op de haalbaarheid en wenselijkheid van dit nieuwe planning paradigma.

co-auteur Melika Levelt

Tara Op de Beeck, departement Omgeving, UGent: Ruimtelijke verbreding van grootschalige infrastructuurprojecten; casestudy Dender- en Leievallei

Op Vlaams niveau wordt een verschuiving geïnitieerd van een uitvoerende bestemmingsplanning, naar een regie voerende rol in strategische gebiedswerking op regionaal schaalniveau. Systemische analyses, ontwerpend onderzoek en structurele partnerwerking vormen hierbij een belangrijke onderlegger. Deze vorm van planning wil een brug maken tussen het Vlaams beleid en de uitvoering ervan op terrein. Zeker nu de daadkracht van ruimtelijke ordening verder afneemt, is de noodzaak hoog om zowel horizontaal als verticaal samen te werken om tot realisatie te komen. Een gebiedsgerichte werking is hierbij essentieel. Door een vaste werking met een groot terrein- en partnerkennis worden de projecten met een hoge ‘sense of urgency’ en groot hefboomeffect benoemd en tot uitvoering gebracht. Helaas wordt deze vorm van planning op Vlaams niveau in de huidige context vaak niet vanuit het beleidsdomein ruimtelijke ordening geïnitieerd. Veeleer is het de kans identificeren en grijpen om projecten vanuit andere beleidsdomeinen een ruimtelijke meerwaarde te bieden. Vaak zijn dit de grootschalige infrastructuurprojecten; landschappelijke inbedding van de A11, Ring van Antwerpen, Regionet Leuven,… Op basis van de eigen werking in de Dender- en Leievallei onderzoeken we kritisch wat strategische gebiedswerking kan betekenen. We onderzoeken hierbij de eigen rol in het proces en de ingezette instrumenten. De paper wil via ‘lessons learned’ bijdragen aan het verder vormgeven van strategische (realisatie gerichte) gebiedswerking op bovenlokaal niveau.

Kim Carlotta von Schönfeld, Wageningen Universiteit: Meer met mate – participatie en leren

In de context van ‘meer-met-meer’, wordt vaak ook meer van burgers gevraagd: ze moeten meer participeren, meer zelf-doen, meer verantwoordelijkheid op zich nemen. Tegelijkertijd vergt dit toch wederom ook meer administratie en flexibel werken vanuit de overheid. Dit kán resulteren in een meer betrokken houding van beide kanten, en in de opbouw van beter afgestemde resultaten en kennis. Maar dit gebeurd niet automatisch, en we gaan nog te vaak uit van het ideaal van participatie en co-creatie, waardoor we niet voldoende kijken naar welke vormen hiervan tot welke uitkomsten en consequenties leiden. Sociaal leren is een analytisch concept dat hierbij kan helpen: door beter te kijken naar hoe we kennis en vaardigheden opdoen door interactie met anderen, kunnen we een betere grip krijgen op welke factoren op welke manier op elkaar reageren. Hierbij blijkt bijvoorbeeld belangrijk dat actoren niet alleen een primaire rol hebben maar ook vanuit verschillende motivaties en kennis-achtergronden handelen. Daarnaast zijn groepsdynamica belangrijk, mede bepaalt door welke netwerken tussen participanten al bestonden, en uit welke context. Afhankelijk van hoe een proces er wat deze thema’s betreft uitziet, kan het handiger zijn om eerder of later te beginnen met officiële participatietrajecten, en kan worden voorkomen dat participatieprocessen in een patstelling terecht komen als onenigheid ontstaat.

De bijdrage is en wordt samen met Dr. Ir. Wendy Tan geschreven

Gerard Stalenhoef, departement Omgeving, afdeling GOP: OPEN RUIMTE IN EN ROND MECHELEN EN TEN ZUIDEN VAN ANTWERPEN, verhalen onthullen de openruimte en verbinden

Antwerpen-Brussel, die verstedelijkte as, het hart van de Vlaamse Ruit en het metropolitaan kerngebied van Vlaanderen, wie denkt er dan nog aan open ruimte? Als je echter goed kijkt, zal je merken dat het stedelijk landschap veelzijdiger is dan het lijkt. In de strategische projecten Zuidrand Antwerpen, open en beleefbaar en Open Ruimte in en rond Mechelen zijn de afgelopen jaren inspanningen geleverd om net niet naar die verstedelijking, maar naar het landschap en de bebouwing te kijken door een open ruimte-bril. En wat blijkt ineens, ten zuiden van Antwerpen vinden we een streek die bestaat uit een regionale parkomgeving met wel tien beekvalleien, forten, kasteeldomeinen en nabije landbouw en natuur tussen de Rupelstreek en de Voorkempen. Stad Mechelen wordt trots omlijst door vier goed bereikbare en machtige waterlopen die natte natuurgebieden, stadsbossen en parken, vruchtbare landbouwgebieden en multifunctionele overstromingsgebieden aaneenrijgen in een beleefbaar geheel. Een hele openbaring, die we beetje bij beetje daadwerkelijk op de kaart zetten: een ‘Samen op pad-kaart’ met kindvriendelijke wandellussen en een Zuidrand vol smaak en wandelplezier naar het groene en historische erfgoed… Tegelijk worden samenhangende (deel)gebieden uitgetekend rond openruimtestructuren en vinden gemeenten, provincies en Vlaamse overheid elkaar en worden overeenkomsten gesmeed. Een streekvereniging Zuidrand krijgt vorm. Open ruimte wordt verbonden en bindt tegelijk ook een waaier aan partners en projecten, wat mee zorgt voor een heuse cultuuromslag en een regionale afstemming van verschillende ruimteclaims en ruimtelijke problematieken. Mogelijkerwijs worden dan ook meer gerichte keuzes gemaakt voor het versterken van de onbebouwde ruimte. Inderdaad meer en meer…

Artikel samen met Sabine Caremans en Myrtle Verhaeven

Charlotte Timmers, Departement Omgeving - team gebiedswerking: Ruimtelijke verbreding van grootschalige infrastructuurprojecten; casestudy Dender- en Leievallei

Op Vlaams niveau wordt een verschuiving geïnitieerd van een uitvoerende bestemmingsplanning, naar een regie voerende rol in strategische gebiedswerking op regionaal schaalniveau. Systemische analyses, ontwerpend onderzoek en structurele partnerwerking vormen hierbij een belangrijke onderlegger. Deze vorm van planning wil een brug maken tussen het Vlaams beleid en de uitvoering ervan op terrein. Zeker nu de daadkracht van ruimtelijke ordening verder afneemt, is de noodzaak hoog om zowel horizontaal als verticaal samen te werken om tot realisatie te komen. Een gebiedsgerichte werking is hierbij essentieel. Door een vaste werking met een groot terrein- en partnerkennis worden de projecten met een hoge ‘sense of urgency’ en groot hefboomeffect benoemd en tot uitvoering gebracht. Helaas wordt deze vorm van planning op Vlaams niveau in de huidige context vaak niet vanuit het beleidsdomein ruimtelijke ordening geïnitieerd. Veeleer is het de kans identificeren en grijpen om projecten vanuit andere beleidsdomeinen een ruimtelijke meerwaarde te bieden. Vaak zijn dit de grootschalige infrastructuurprojecten; landschappelijke inbedding van de A11, Ring van Antwerpen, Regionet Leuven,… Op basis van de eigen werking in de Dender- en Leievallei onderzoeken we kritisch wat strategische gebiedswerking kan betekenen. We onderzoeken hierbij de eigen rol in het proces en de ingezette instrumenten. De paper wil via ‘lessons learned’ bijdragen aan het verder vormgeven van strategische (realisatie gerichte) gebiedswerking op bovenlokaal niveau.

Ik schrijf deze paper samen met Tara Op de Beeck

Elke Vanempten, ILVO: Landbouwparken, een 'meer met meer' verhaal voor stad en open ruimte?

Open ruimte in onze verstedelijkte omgeving staat dankzij klimaatverhalen en betonstop-afkondigingen hoger op de agenda. Maar ondanks deze verhalen boert de open ruimte nog steeds achteruit. Deze bijdrage verkent het concept ‘stedelijke landbouwparken’ als een mogelijke stap om met de maatschappelijke, landbouwkundige en ruimtelijke uitdagingen van landbouwgebieden in en om onze steden om te kunnen gaan. Het concept is in veel Europese regio’s de sleutel gebleken om voedselproducenten en stadsbewoners/consumenten met elkaar in dialoog te brengen. Het resultaat is soms verbluffend. Het biedt landbouwers perspectief om (via stadsnabije productie en distributie) een nieuw én duurzaam verdienmodel uit te bouwen. De stads- en dorpsbewoner krijgt kwaliteit terug. Naast kwaliteit op het bord resulteert de samenwerking ook in toegevoegde kwaliteit (groen, recreatieve toegang, …) op landbouwgronden nabij woongebieden. Het concept ondersteunt de dialoog en inspireert tot actie. Een onderzoek van ILVO en Ugent in opdracht van het Departement Omgeving verkende de mogelijkheden naar de toepasbaarheid van het concept in de Vlaamse context. Het besluit in PlanDag-termen: het concept van landbouwparken vergt mee-koppelen tussen domeinen en thema’s, heeft de potentie om via kleinschalige transformaties grote maatschappelijke transities mee te kunnen doorvertalen, kan ‘harde’ en ‘zachte’ sectoren effectief gaan laten samenwerken, waarbij ten midden van alle stedelijke druk open ruimte open blijft, met een specifieke rol voor overheden.

Rien van de Wall, perspective.brussels