Deelnemers

Totnogtoe hebben 42 personen zich opgegeven, waaronder:

Wouter Bervoets, IDEA Consult
Helena Bieseman, Departement Omgeving

Bijdrage aan paper (met meerdere schrijvers): Meer ruimtebeslag en minder open ruimte in Vlaanderen. Een meer gedetailleerde analyse van de feiten.

Martijn van den Bosch, Stec Groep
Kobe Boussauw, Cosmopolis Centre for Urban Research - Vrije Universiteit Brussel: Visie voor transitie: het verkennend ruimtelijk onderzoek voor de stadssnelweg B401 in Gent

Het draagvlak voor grote infrastructuurprojecten in dichtbevolkte omgevingen kalft zienderogen af, een argument dat nadrukkelijk aanwezig is in een aantal lopende debatten rond de toekomst van bestaande stadssnelwegen. Het is in deze context dat in 2018 een verkennend ruimtelijk onderzoek naar de toekomst van de B401, het viaduct dat het centrum van Gent rechtstreeks met het snelwegennet verbindt, werd gevoerd. De opdracht van de Stad Gent werd uitgevoerd door een consortium van de bureaus Tractebel en 51N4E, ondersteund door experten van Granstudio, Vrije Universiteit Brussel en Wageningen U&R. De voorliggende paper biedt inkijk in de problematiek, het proces, en de voorgestelde oplossingsrichtingen. De context voor het ontwerpend onderzoek is het werken aan een meer leefbare stad, waar de nadruk op wonen en nabijheid ligt, veeleer dan op snelle autobereikbaarheid. Binnen deze visie werd via een participatief proces een transitietraject ontwikkeld. Daarbij worden drie systemen onderscheiden: een dynamische leefomgeving, een stedelijk landschap en een alternatief mobiliteitsmilieu. Implementatie gebeurt geleidelijk, op basis van een viertal experimenten: (1) tijdelijke invullingen op en onder het viaduct, (2) het vergroenen en ontharden van restruimtes, (3) lokale voedselproductie, en (4) een nieuwe bovenlokale verbinding in de vorm van een – mogelijk zelfrijdende – shuttle, die ook de toekomstige transferia met de activiteitencentra zal verbinden. Het transitietraject wordt ontwikkeld op basis van drie geprojecteerde ‘momentopnames’ op korte, middellange, en lange termijn, waarbij het viaduct systematisch van zijn verkeersfunctie wordt ontdaan en de mogelijkheid wordt gecreëerd om (delen van) het viaduct te herbestemmen of permanent te verwijderen.

co-auteurs zijn: Oscar Broeckhoven & Koen Van den Troost

Egbert Broerse, Ballast Nedam
Celine Brus, TNO: The Scale up Capacity of a District Approach: Complexity Challenges and Collaborative Governance in the Local Energy Transition

Multiple Dutch municipalities are increasing their ambitions and their efforts in order to achieve independence from natural gas. This transition is set in a multilevel sociotechnical complex system in which the interactions of niche, regime and landscape level explain the dynamics of a transition. These leading municipalities are forced to experiment with novel approaches to generate innovation in their local niche. This research studies the development of the scale-up capacity of transition experiments (district approaches) to replace gas. In Sluispolder and Palenstein interviews are held with the key stakeholders. This comparative case study shows little scale-up capacity. The scale-up capacity of the district approaches is most challenged by the synergy of social, technical and financial complexity in the sociotechnical energy system. The presence and impact of a collaborative governance process (CGP) is measured at three levels: within the municipality organisation, in the district and in the region. Regionally, a CGP is absent as it is too early in the transition for different municipalities to collaborate. Zoetermeer shows the benefits of a fully developed CGP for the development of a district approach. Residents, especially homeowners, are identified as the biggest challenge. They increase social, technical and financial complexity, however, are also unfitted to join a CGP. An appropriate and intens communication process is necessary to inform, interest and involve them. In addition, financial constructions need to be developed in order to make a transition within their capabilities and within their interests.

Griet Celen, Vlaamse Landmaatschappij: Tafels van vermenigvuldiging in de Open Ruimte

zie inzending Marjolijn Claeys

Marjolijn Claeys, VOORLAND: Tafels van vermenigvuldiging in de Vlaamse open ruimte

De open ruimte is boordevol. Enerzijds is ze boordevol gebruikers (voor voedselproductie, biodiversiteit of recreatie). Anderzijds vervult ze ook een heleboel maatschappelijke diensten (voor verkoeling, waterbuffering, hernieuwbare energie of als gezonde leefomgeving). Die dubbele complexiteit aan claims zal er niet minder op worden, integendeel. Ook in de toekomstige klimaatuitdagingen wordt open ruimte een onmisbare sleutel om tot oplossingen te komen. Open ruimte is, meer dan ooit, een hefboom voor een welvarende en duurzame toekomst. Dat is een kans. Als we de aanwezige lokale energie kunnen laten samensporen met een geïntegreerde gebiedsaanpak en dit op verschillende plekken tegelijkertijd, dan maken we van een concrete uitdaging een vermenigvuldigingsslag. Naar aanleiding van het succes van ‘Water+Land+Schap’ wil deze paper een actieve programmawerking als methode verder verkennen. Het laat immers toe dat lokale gebiedscoalities in hun gebied concreet aan de slag gaan, aangedreven door overheidspartijen die binnen eenbeleidsoverschrijdend thema aan hetzelfde zeel trekken en de gebiedscoalities vleugels geven. De open ruimte gaat in het offensief. Tijd voor een Open Ruimte Beweging!

Griet Celen, Joachim Declerck, Hans Leinfelder, Sirka Ludtke, Bram Vandemoortel

Lieve Custers, Universiteit Hasselt: Participatieve maatschappelijke kostenbaten-analyse als tool om het verkavelingsdebat te openen: een eerste test in de Heilig-Hartwijk te Hasselt

Verkavelingen blijven de favoriete woonomgeving van de doorsnee Belg. Maar, de lage dichtheid, het uniforme karakter en de autoafhankelijkheid van deze woonomgevingen zorgen dat de maatschappelijke kosten stilaan onhoudbaar worden. In Vlaanderen wordt er op dit moment een hevig debat gevoerd rond het herverdelen van deze kosten, maar ondanks dit debat blijven we doorverkavelen. De onderzoekshypothese stelt dat dit debat enkel impact zal hebben als het meer concreet wordt door oa. de kosten en baten van alternatieve woonmodellen tastbaar te maken. Een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) is een methode om de maatschappelijke kosten en baten van scenario’s te analyseren en tegen over elkaar af te zetten. Het opzet is om een model te ontwikkelen voor een ‘participatieve MKBA’ die toelaat dat een collectief van bewoners, lokale overheden en lokale organisaties alternatieve toekomsten voor hun verkaveling coproduceren, en vervolgens de kosten en baten van deze toekomsten doorrekenen. We passen dit model toe op een meer afgelegen verkaveling in Diepenbeek en een centraal gelegen wijk in Hasselt. In de paper wordt een eerste toetsing van dit model besproken aan de hand van een concrete case in de Heilig-Hartwijk in Hasselt. We bespreken het collectieve proces van probleemanalyse, bepalen van idealen, ontwikkelen van alternatieven en keuze van de afwegingscriteria. Afhankelijk van de voortgang van het participatieproces wordt hier nog het meten en doorrekenen van de alternatieven aan toegevoegd.

Peter Davids, Afdeling Mobiliteit en Ruimtelijke Planning, Universiteit Gent: Samen labellen: burgers betrekken in overstromingsbeheer met financiële prikkels van overheid en markt Een multi-stakeholderanalyse voor Nederland en België

Ondanks dat overstromingsbeheer meestal wordt gezien als een overheidsverantwoordelijkheid, hebben overheden steeds meer moeite met de bescherming van gebouwen tegen overvloedige regenval en overstromingen die daaruit voortvloeien. Pandeigenaren en landgebruikers kunnen ook helpen bij de bescherming van hun eigen pand o. Echter, deze burgers zijn niet altijd bereid om deze verantwoordelijkheid op te pakken. Om burgers toch bewuster te maken van de overstromingsrisico’s van hun pand, wordt nu een overstromingslabel ontwikkeld dat op maat inzicht geeft in de risico’s voor hun specifiek pand, en suggesties geeft hoe dit risico te verlagen. Echter, zo’n label zal niet kunnen bestaan zonder samenwerking tussen overheid, markt en burgers. Inbedding van het label in bestaande interacties tussen overheid, markt en burger kan middels de koppeling van het label aan (financiële) prikkels. Voorbeelden van deze prikkels zijn koppelingen tussen het label en hypotheekverstrekking, kortingen op overstromingsverzekeringen, schadeherstelregelingen vanuit de overheid na een overstroming. Op basis van semigestructureerde interviews met overstromingsexperts, makelaars, verzekeraars in Nederland en België bediscussiëren we in dit paper de mogelijke prikkels die gelinkt kunnen worden aan het overstromingslabel. De resultaten tonen grote verschillen tussen de prikkels voor een overstromingslabel voor Nederland en voor België. We sluiten af met enkele aanbevelingen voor hoe het overstromingslabel zou kunnen functioneren in zowel Nederland als België.

Sophie De Mulder, Departement Omgeving (Vlaams Planbureau voor Omgeving): Het nieuwe normaal: bewustwording van de verweving tussen wonen en werken

Exacte cijfers over de toestand van verweven economie, zowel op schaal van het perceel zelf als op schaal van een bedrijventerrein dat omringd is door woonweefsel, zijn tot op vandaag niet voor handen. Dit hiaat is onder meer te wijten aan niet-ruimtelijke databanken en een historische erfenis uit de ruimtelijke planning, waarbij planning en ontwerp voor wonen en voor economie op een volledig andere wijze gebeurt. Doorgaans wordt de link tussen een economische activiteit en een bedrijventerrein veel sneller gelegd dan de link tussen een economische activiteit en het woonweefsel. Het grootste gedeelte van de economie bevindt zich echter buiten bedrijventerreinen, in verweven omgevingen. Net zoals er differentiatie in woonomgevingen bestaat, is er één in economische locaties: gebieden met enkel bedrijven, met verweving tussen wonen en bedrijven of verspreide bedrijven in de open ruimte. Gebieden met enkel wonen of bedrijven en met verweving wonen-werken bepalen samen de interne structuur van nederzettingen. Sinds 2015 voert Departement Omgeving onderzoek naar het voorkomen van economische locaties in Vlaanderen. In een eerste conceptueel onderzoek is gekozen voor segmentatie, wat binnen de vastgoedpraktijk van belang is. De benadering van het individuele bedrijf als onderzoekseenheid in zijn omgeving volgt daaruit. De opschaling van individuele bedrijven naar gebiedstypes biedt inzicht in het ruimtelijk-economisch netwerk in Vlaanderen. Deze paper synthetiseert enkele inzichten uit het onderzoekstraject. Deze gaan over (1) het bedrijf en de relatie tussen de (verweven) locatie en activiteit (2) de rol van de overheid/ruimtelijke professional en (3) die van de vastgoedsector bij verweving.

auteurs: Sophie De Mulder, Inge Pennincx, Jan Zaman; Er volgt ook een tweede paper over “het ontwerpen voor economie”.

Karin De Nijs, Hogeschool van Amsterdam: Lerend ontwikkelen: Van tijdelijk experiment naar nieuw planning paradigma?

Burgers, creatieve ondernemers en maatschappelijke organisaties speelden de afgelopen jaren een belangrijke rol bij het invullen van braakliggende terreinen en leegstaand vastgoed. Op vele plekken zijn zo buurtmoestuinen, creatieve broedplaatsen en levendige bedrijventerreinen ontstaan. Bewust of uit noodzaak is de ontwikkeling van deze plekken vaak open en zoekend van aard. Deze ‘incrementele’ ontwikkelwijze heeft de potentie om ruimtelijke ontwikkelingsprocessen een meer kort-cyclisch en lerend karakter te geven. Wanneer hierbij verbinding wordt gezocht met lokale gemeenschappen kan dit bovendien de legitimiteit van de ontwikkeling versterken. In de praktijk blijkt de mate waarin deze projecten invloed uitoefenen op meer definitieve planvorming echter beperkt. Op basis van onderzoek naar 12 projecten in Amsterdam en Groningen gaan we in dit paper op zoek naar verklaringen: wat zijn kansen en belemmeringen voor incrementele gebiedsontwikkeling? Onze bevindingen laten zien dat incrementeel ontwikkelen veel vraagt van burgers, overheden en marktpartijen. Het vereist professionele vermogens en een lange adem bij maatschappelijke actoren om uit het hoekje van tijdelijkheid en experiment te komen. Het vereist ook een meer open en flexibele houding van overheden, terwijl bestaande werkprocessen hier vaak onvoldoende op zijn ingericht. Als gevolg sneuvelen veel projecten onder toenemende druk van markt en politiek. We sluiten af met enkele denkrichtingen voor hoe een meer open wijze van planvorming eruit zou kunnen zien en reflecteren op de haalbaarheid en wenselijkheid van dit nieuwe planning paradigma.

co-auteur Melika Levelt

Ine Dhondt: Gaat de Vlaamse regering dan toch een compromis vinden voor de havenuitbreiding? En wat met de klimaattransitie?

Om de verwachte groei van containerbehandelingscapaciteit in de Antwerpse haven tot 2030 te accommoderen, startte de Vlaamse regering het complex project “Extra Containerbehandelingscapaciteit Antwerpen”. Momenteel bereidt de projectorganisatie de keuze van het voorkeursalternatief voor. Dit realiseert de extra containerbehandelingscapaciteit deels door haveninbreiding, maar in hoofdzaak door het Tweede Getijdendok dat aantakt op het Deurganckdok. Ten gevolge van optimalisaties tijdens de uitwerkingsfase zal de juiste vorm van het nieuwe dok en de inplanting van de bedrijventerreinen nog wijzigen. Wel is met actiegroep Doel 2020 de contour afgesproken waarbinnen de uitbreiding zich zal situeren. Doel 2020 stelt immers harde randvoorwaarden aan de havenuitbreiding: opnieuw ruimte voor bewoning in Doel, een verlenging van de bestaande leefbaarheidsbuffer tussen Doel en de haven, geen grote natuurcompensatieprojecten meer in het resterende poldergebied… Ook andere actiegroepen en burgerbewegingen zijn betrokken. Doorgaans zijn ze tevreden over de transparantie van het doorlopen proces. De media koppen voorzichtig positief: Weyts kiest voor havenuitbreiding mét plaats voor Doel dankzij ‘boemerangdok’. De havensector, die aanvankelijk een veel ruimer Saeftinghedok verdedigde, reageert wat gelaten: ‘Beter iets dan niets.’ Maar wie bewaakt, ondanks dit prille draagvlak, of het complex project “Extra Containerbehandelingscapaciteit Antwerpen” verenigbaar is met de Vlaamse klimaatdoelstellingen en met het Vlaamse Luchtbeleidsplan? Wie durft duidelijk te stellen dat met dit project 348 hectare natuurlijke bodem verdwijnt door verharding en bebouwing? Hoe valt de havenuitbreiding dan te rijmen met de Vlaamse doelstelling om het bijkomend ruimtebeslag tegen 2040 te stoppen?

David Dooghe, Vereniging Deltametropool
Erik van den Eijnden, Ministerie Infrastructuur en Waterstaat
David Evers, Planbureau voor de Leefomgeving: Implementatie wind-op-land vanuit een ruimtelijk perspectief

Ongeveer tien jaar geleden is in Nederland een nationale doelstelling gesteld voor 6.000 MW wind-op-land in 2020. Het is een geschikt moment om een reflectie te geven op de manier waarop deze doelstelling is geïmplementeerd. De ervaring leert dat dit niet soepel is verlopen op het moment dat de voornemens van windenergie het systeem van de ruimtelijke ordening ingaan en concreet vorm krijgen. Het is daarom belangrijk om de implementatie niet alleen vanuit de klimaat- en energiedoelstelling te bekijken, maar ook vanuit de planningtheorie. De overgang naar een meer duurzame energievoorziening is dus een dubbele opgave: zowel de opgave om tijdig meer duurzame energie te realiseren in Nederland, als de opgave om duurzame energie in de dagelijkse leefomgeving te integreren op een manier die kan rekenen op een zo groot mogelijk draagvlak. Het Rijk heeft in 2014 een geïntegreerde kader opgesteld voor wind-op-land. De insteek is verwant met het naoorlogse blauwdrukplanning: gebieden aanwijzen op basis van technocratisch criteria en uitvoeringsplannen opstellen; goede landschappelijke inpassing moest voor draagvlak zorgen. De ervaringen in de provincies verschillen nogal. Wij hebben gemerkt dat er sprake is van een disbalans in aandacht op diverse schaalniveaus. Hogere overheden hebben meer aandacht voor de energiedoelstellingen en lagere overheden voor ruimtelijke inpassing en draagvlak. Ook praten partijen vaak niet met elkaar maar langs elkaar heen. Ook blijkt het bepalen van grenzen (bijvoorbeeld zoekgebieden) een lastige zaak, wat allerlei neveneffecten kan hebben.

Marc Hanou, Planbureau voor de Leefomgeving
Arjan Harbers, Planbureau voor de Leefomgeving
Lilian van Karnenbeek, Wageningen University & Research: Paal en perk stellen aan het experiment?

Het handelen in de planningspraktijk is menigmaal gebaseerd op ervaringen. Een ervaring kan gedefinieerd worden als verkregen kennis van de gang van zaken door observatie en betrokkenheid bij planningspraktijken. Door de eeuwen heen zijn deze ervaringen vertaald in tal van formele en informele instituties. Tegenwoordig lijkt echter niet de ervaring centraal te staan, maar het experiment. Planners, zowel in de praktijk als in de wetenschap, omarmen concepten als ‘living lab’ of ‘proeftuin’ waarbij de stad wordt gepositioneerd als een laboratorium om de werkelijkheid in na te bootsen. Deze sterk positivistische insteek is vaak gestoeld op het idee dat middels een experiment vastgestelde institutionele condities deels of helemaal losgelaten kunnen worden. Niettemin omdat deze institutionele condities vaak als belemmering worden beleefd. Ondanks dat het experiment meer discretionele ruimte kan bieden, is dit niet altijd wenselijk omdat het riskeert het fundament van bestaande instituties te verwaarlozen. Het experimenteren met de leefomgeving van burgers kan onverwachte consequenties en effecten veroorzaken met brede socio-economische impacts tot gevolg. Hoewel de context van de planningspraktijk veranderlijk is, zijn er wel degelijk constante conditionele normen die de maatschappij proberen te beschermen tegen vormen van sociale ongelijkheid of juist veiligheid en gezondheid proberen te preserveren. Dit artikel laat de beperking van het experiment en het gevaar van het ontkennen van instituties zien aan de hand van een voorbeeld van de gebiedsontwikkeling Oosterwold te Almere. We kijken met een kritische blik naar de rol en de verplichtingen van de overheid in deze experimenten binnen het kader van good governance.

Anne van Kuijk, Provincie Noord-Brabant
Peter van de Laak: Dashboard voor stedelijke regio's
Kristien Lefeber, Provincie Limburg: De integrale omgevingsvisie, een utopie?

De ambitie om zoveel mogelijk maatschappelijke transities mee te nemen in lopende ruimtelijke transformaties vraagt om integratie. Dit is ook de kern van de nieuwe integrale omgevingswet in Nederland. Deze Omgevingswet is gericht op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Men streeft ook naar het doelmatig beheer, gebruik en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. Deze wet bevat 6 kerninstrumenten waarvan de omgevingsvisie er één van is. De omgevingsvisie heeft betrekking op alle terreinen van de leefomgeving. Een omgevingsvisie gaat in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed…

Kristien Lefeber – opdracht voor het Vlaams planbureau voor Omgeving (VPO), Departement Omgeving

Melika Levelt, Hogeschool van Amsterdam: Lerend ontwikkelen. Van tijdelijk experiment naar nieuw planning paradigma?

Burgers, creatieve ondernemers en maatschappelijke organisaties speelden de afgelopen jaren een belangrijke rol bij het invullen van braakliggende terreinen en leegstaand vastgoed. Op vele plekken zijn zo buurtmoestuinen, creatieve broedplaatsen en levendige bedrijventerreinen ontstaan. Bewust of uit noodzaak is de ontwikkeling van deze plekken vaak open en zoekend van aard. Deze ‘incrementele’ ontwikkelwijze heeft de potentie om ruimtelijke ontwikkelingsprocessen een meer kort-cyclisch en lerend karakter te geven. Wanneer hierbij verbinding wordt gezocht met lokale gemeenschappen kan dit bovendien de legitimiteit van de ontwikkeling versterken. In de praktijk blijkt de mate waarin deze projecten invloed uitoefenen op meer definitieve planvorming echter beperkt. Op basis van onderzoek naar 12 projecten in Amsterdam en Groningen gaan we in dit paper op zoek naar verklaringen: wat zijn kansen en belemmeringen voor incrementele gebiedsontwikkeling? Onze bevindingen laten zien dat incrementeel ontwikkelen veel vraagt van burgers, overheden en marktpartijen. Het vereist professionele vermogens en een lange adem bij maatschappelijke actoren om uit het hoekje van tijdelijkheid en experiment te komen. Het vereist ook een meer open en flexibele houding van overheden, terwijl bestaande werkprocessen hier vaak onvoldoende op zijn ingericht. Als gevolg sneuvelen veel projecten onder toenemende druk van markt en politiek. We sluiten af met enkele denkrichtingen voor hoe een meer open wijze van planvorming eruit zou kunnen zien en reflecteren op de haalbaarheid en wenselijkheid van dit nieuwe planning paradigma.

Dit paper dien ik in samen met Karin de Nijs

Isabelle Loris, Universiteit Gent: Meer data, meer inzicht?

Big Data is hot. Maar leidt meer data tot meer inzicht? En kunnen we dergelijke data inzetten voor beleidsvraagstukken in de ruimtelijke ordening? Op dit moment groeit de interesse van beleidsmakers voor bronnen zoals Facebook, Google, Twitter, Instagram of blogs die waardevolle informatie bevatten die normaal moeilijk te verzamelen zijn op korte termijn. Big Data kan een meer regelmatige, kosteneffectieve en geharmoniseerde gegevensverzameling bieden en een gelegenheid zijn om gemakkelijker nieuwe belangrijke problemen aan te pakken zoals bijvoorbeeld klimaat, gezondheid of huisvesting. De grote doorbraak betreffende praktische toepassingen van Big Data-bronnen in plannings- en ontwikkelingsprocessen moet echter nog komen.. De beschikbaarheid van tijdige, nauwkeurige statistische informatie stelt beleidsmakers, praktijk-mensen, onderzoekers en andere belanghebbenden in staat om een breed scala aan kwesties aan te pakken in het zich snel ontwikkelende economische en sociale landschap van vandaag. In toenemende mate kan informatie van het analyseren van internetactiviteiten of sociale media worden gebruikt voor het observeren van trends in ruimtelijke ordening en interessante mogelijkheden bieden om beleid te ondersteunen met actuele informatie. Spanningen op de woningmarkt hebben gevolgen voor het verhuisgedrag van mensen, wat opnieuw gevolgen heeft voor de arbeidsmobiliteit. Dit onderzoek illustreert in hoeverre ‘big data’ kan worden gebruikt om bestaand ruimtelijk beleid te verrijken en meer up-to-date bewijsmateriaal te leveren bij het inschatten van nieuwe trends voordat hun effecten zichtbaar worden in traditionele gegevensverzamelingen (nationale statistieken). Het onderzoek gaat dieper in op bestaande praktijkervaringen in België en Nederland, werkt een case uit m.b.t. huisvestingsdynamieken en doet voorstellen naar de toekomst om na te gaan hoe big data in beleidsvraagstukken omtrent ruimtelijke ordening een rol kan spelen. Van belang daarbij is het slim combineren van data.

Merten, Vereniging Deltametropool: Handelslandschappen

De fysieke oplossingen van handel en logistiek hebben in Nederland geleid tot een efficiënt en hoog gewaardeerd cultuurlandschap van havens, kanalen, (ruil)verkavelingen, (spoor)wegen en opslaglocaties, tijdens de Hanze, VOC en naoorlogse periode. Ondanks de groeiende eisen aan ruimtelijke efficiëntie en kwaliteit, lijken de huidige logistieke ontwikkelingen te breken met deze traditie. Is het logistieke landschap dat ontstaat in de Rijn-Maas delta te sturen, zodanig dat het bijdraagt aan een aantrekkelijk metropolitaan vestigingsklimaat? Een nieuwe generatie logistieke bouwwerken, zoals distributie- en fulfilment centra (AliExpress, Amazon etc.), is schijnbaar ‘footloose’ en vluchtig (verwachte commerciële levensduur 15 jaar). Door de grote voetafdruk van deze structuren, die jaarlijks met 1,5 miljoen vierkante meter toenemen in Nederland, zijn ze de grootste consument van ruimte na woningbouw. Ze overstijgen de schaal van de architectuur en genereren hun eigen landschap. Tegelijkertijd lijkt schaal op zichzelf niet het probleem – Maasvlakte II trekt immers grote aantallen recreatieve bezoekers uit binnen- en buitenland – maar eerder locatiekeuze, typologie en vestigingspatroon. De paper plaatst de huidige trends in handel en logistiek in het perspectief van de historische ontwikkeling van Nederland als handels- en distributieland. Voorbeelden van trends die ruimtelijke impact zullen hebben zijn de nieuwe Chinese Zijderoute, last-minute bezorging in de stad en de circulaire economie die nieuwe retourstromen veroorzaakt. Er is speciale aandacht voor de invloed van ruimtelijke planning en beleid omtrent handel in de Rijn-corridor, de logistieke ruggengraat van Nederland waar de ‘zachte’ factoren van natuur en recreatieve landschappen (belangrijk voor de kenniseconomie) onder hoge druk staan.

Geert Mertens, Departement Omgeving - Vlaamse Overheid: Beter beleid voor minder geld

Meer met meer, kan ook beter met minder betekenen. In Nederland is kosten-baten analyse een bloeiende discipline en ook in Vlaanderen ligt veel monetair zaad te wachten op ontkiemen. Langs beide kanten van de landsgrens beschikken we inmiddels over een indrukwekkend technisch arsenaal om beleid te monetariseren: standaardmethodieken, complexe modellen en impressionante verdisconteringen. Mathematische hoogstandjes zijn het vaak, maar slagen we er ook in om al dat rekenwerk te verzilveren in onderbouwd omgevingsbeleid?

Nikki van der Nat, TNO: Intern collaborative governance als start punt voor de opschaling van slimme innovaties

De aanleiding voor het onderzoek (waarop het paper gebaseerd zal zijn) is een vraagstuk vanuit het RUGGEDISED project. Dit is een Europees Horizon2020 lighthouse project, waar de gemeente Rotterdam een van de consortialeiders van is. Op dit moment werken zij aan de implementatie van diverse slimme geothermische, elektrische en mobiliteitsinnovaties in Rotterdam Zuid, welke over twee jaar klaar moeten zijn om opgeschaald te worden. Opschaling van deze innovaties is belangrijk om de doelstellingen van Rotterdam om een groene, gezonde en toekomst bestendige stad te worden belangrijk. Door middel van theorieën over collaborative governance is gekeken of de opschalingsprocessen deepening (leren) en broadening (verbinden) binnen het cluster stadsontwikkeling uitgevoerd worden/verbeterd kunnen worden. De focus lag hierbij op een horizontale integrale samenwerking tussen de domeinen binnen het cluster. Het blijkt dat binnen het cluster stadsontwikkeling veel ruimte en aandacht is voor het experimenteren met innovaties, maar nog dat er nog onvoldoende gefocust word op de opschalingsprocessen. Strijd op visie niveau, met als resultaat dat er geen duidelijke domein overschrijdende visie is, leidt tot een strijd op projectniveau. Werknemers zijn hierdoor meer gemotiveerd om hun projectdoelen te verwezenlijken dan om te leren en te verbinden. Daarnaast leidt ook de project-organisatiecultuur en verkokering ertoe dat de opschalingsprocessen niet tot stand komen. Interessante instrumenten zoals het urban innovation framework van TNO kunnen uitkomsten bieden om de problemen met horizontale integratie, maar ook de verticale integratie te overkomen.

Elin Nieland, Wageningen University & Research: Wat is er gebeurd met Planners’ Paradise?

Met een groeiend tekort van woningen komt het Nederlands grondbeleid steeds meer onder de aandacht. Jarenlang hebben gemeenten zelf strategische grondposities ingenomen om woningbouwontwikkeling mogelijk te maken. Deze actieve houding van grondbeleid is echter steeds meer bekritiseerd sinds de economische crisis van 2008, die veel financiële verliezen met zich mee bracht voor het gemeentelijk grondbedrijf. Ondanks dat er wordt gepleit voor een andere vorm van grondbeleid, is het niet duidelijk hoe gemeenten momenteel hun grondbeleid inzetten voor woningbouw. Nieuwe ambities als gevolg van maatschappelijke veranderingen, zoals binnenstedelijke ontwikkeling en duurzaamheid, zijn daarnaast toegevoegd aan de woningbouwdoelstellingen. Om een duidelijk beeld te krijgen hoe gemeenten met deze nieuwe doelstellingen omgaan is een kritische analyse van gemeentelijk grondbeleid van belang. In deze paper analyseren we de huidige inzet van grondbeleid ten opzichte van de nieuwe woningbouwdoelstellingen. Ook proberen we inzicht te krijgen in de dynamiek van grondbeleid over tijd. Door middel van enquêteresultaten verspreid over verschillende Nederlandse gemeenten vanuit het onderzoek Grond voor Wonen en ondersteunend literatuuronderzoek bediscussieerd deze bijdrage in hoeverre de crisis van 2008 heeft geleid tot een verschil tussen Nederlandse gemeenten en hun inzet van grondbeleid.

Auteurs: Elin Nieland, Rick Meijer, Arend Jonkman en Thomas Hartmann

Tara Op de Beeck, departement Omgeving, UGent: Ruimtelijke verbreding van grootschalige infrastructuurprojecten; casestudy Dender- en Leievallei

Op Vlaams niveau wordt een verschuiving geïnitieerd van een uitvoerende bestemmingsplanning, naar een regie voerende rol in strategische gebiedswerking op regionaal schaalniveau. Systemische analyses, ontwerpend onderzoek en structurele partnerwerking vormen hierbij een belangrijke onderlegger. Deze vorm van planning wil een brug maken tussen het Vlaams beleid en de uitvoering ervan op terrein. Zeker nu de daadkracht van ruimtelijke ordening verder afneemt, is de noodzaak hoog om zowel horizontaal als verticaal samen te werken om tot realisatie te komen. Een gebiedsgerichte werking is hierbij essentieel. Door een vaste werking met een groot terrein- en partnerkennis worden de projecten met een hoge ‘sense of urgency’ en groot hefboomeffect benoemd en tot uitvoering gebracht. Helaas wordt deze vorm van planning op Vlaams niveau in de huidige context vaak niet vanuit het beleidsdomein ruimtelijke ordening geïnitieerd. Veeleer is het de kans identificeren en grijpen om projecten vanuit andere beleidsdomeinen een ruimtelijke meerwaarde te bieden. Vaak zijn dit de grootschalige infrastructuurprojecten; landschappelijke inbedding van de A11, Ring van Antwerpen, Regionet Leuven,… Op basis van de eigen werking in de Dender- en Leievallei onderzoeken we kritisch wat strategische gebiedswerking kan betekenen. We onderzoeken hierbij de eigen rol in het proces en de ingezette instrumenten. De paper wil via ‘lessons learned’ bijdragen aan het verder vormgeven van strategische (realisatie gerichte) gebiedswerking op bovenlokaal niveau.

Kim Carlotta von Schönfeld, Wageningen Universiteit: Meer met mate – participatie en leren

In de context van ‘meer-met-meer’, wordt vaak ook meer van burgers gevraagd: ze moeten meer participeren, meer zelf-doen, meer verantwoordelijkheid op zich nemen. Tegelijkertijd vergt dit toch wederom ook meer administratie en flexibel werken vanuit de overheid. Dit kán resulteren in een meer betrokken houding van beide kanten, en in de opbouw van beter afgestemde resultaten en kennis. Maar dit gebeurd niet automatisch, en we gaan nog te vaak uit van het ideaal van participatie en co-creatie, waardoor we niet voldoende kijken naar welke vormen hiervan tot welke uitkomsten en consequenties leiden. Sociaal leren is een analytisch concept dat hierbij kan helpen: door beter te kijken naar hoe we kennis en vaardigheden opdoen door interactie met anderen, kunnen we een betere grip krijgen op welke factoren op welke manier op elkaar reageren. Hierbij blijkt bijvoorbeeld belangrijk dat actoren niet alleen een primaire rol hebben maar ook vanuit verschillende motivaties en kennis-achtergronden handelen. Daarnaast zijn groepsdynamica belangrijk, mede bepaalt door welke netwerken tussen participanten al bestonden, en uit welke context. Afhankelijk van hoe een proces er wat deze thema’s betreft uitziet, kan het handiger zijn om eerder of later te beginnen met officiële participatietrajecten, en kan worden voorkomen dat participatieprocessen in een patstelling terecht komen als onenigheid ontstaat.

De bijdrage is en wordt samen met Dr. Ir. Wendy Tan geschreven

Schreurs, KU Leuven: Een pleidooi voor sensus communis

‘Meer met meer’ wordt in de programmatekst verbonden met drie dimensies: governance en financiering, maatschappij, ruimte. Die indeling is verdedigbaar want sluit nauw aan bij het overbekende pijler-model van duurzame ontwikkeling: profit/prosperity, people, planet. Twee argumenten pleiten ervoor om (ook) andere invalshoeken te exploreren. Het 3-pijler-model impliceert dat verschillende groepen, met uiteenlopende belangen en waardenkaders, afzonderlijk worden aangesproken op ‘hun’ kwesties. ‘Mee-koppelen’, de zo nodige integratie, transversaliteit en samenwerkingsverbanden tussen verschillende beleidsdomeinen en opgaven wordt er niet door ondersteund. Dat wordt versterkt door veelvuldige interne en externe feedback interacties tussen motieven, middelen en methoden in ieder domein, dat werkt als een ecosysteem. Daarnaast ontbreekt een cruciaal ecosysteem bij de aangehaalde dimensies. Vraagstukken die samenhangen met mentale ecologie (Guattari) blijven buiten beeld. Nochtans is subjectificatie een belangrijke bron van zowel hindernissen als opportuniteiten voor oordelen en acties. Alle groepen van de maatschappij ‘zin geven’ om mee te stappen in de noodzakelijke transities vergt dat (de subjecten in) die groepen op een gelijkgericht-kritische manier zin kunnen geven aan die fundamentele veranderingen. Eén van de sleutels daarbij is ‘sensus communis’: een vermogen dat het eigen oordeel toetst aan de collectieve rede (Kant). Als gemeenschappelijk zintuig èn gemeenschapszin impliceert dit een verruimde denkwijze die het standpunt van de ander in acht neemt, en zowel ideeën als gevoelens mededeelbaar maakt (Arendt). Aan de hand van een exemplarisch geval zoeken we naar bouwstenen voor hoopgevende verhalen (Sandercock) en collectieve taalspelen (Wittgenstein) waarin algemene kwesties en principes geïntegreerd oplichten in concrete verbeelding.

Gerard Stalenhoef, departement Omgeving, afdeling GOP: OPEN RUIMTE IN EN ROND MECHELEN EN TEN ZUIDEN VAN ANTWERPEN, verhalen onthullen de openruimte en verbinden

Antwerpen-Brussel, die verstedelijkte as, het hart van de Vlaamse Ruit en het metropolitaan kerngebied van Vlaanderen, wie denkt er dan nog aan open ruimte? Als je echter goed kijkt, zal je merken dat het stedelijk landschap veelzijdiger is dan het lijkt. In de strategische projecten Zuidrand Antwerpen, open en beleefbaar en Open Ruimte in en rond Mechelen zijn de afgelopen jaren inspanningen geleverd om net niet naar die verstedelijking, maar naar het landschap en de bebouwing te kijken door een open ruimte-bril. En wat blijkt ineens, ten zuiden van Antwerpen vinden we een streek die bestaat uit een regionale parkomgeving met wel tien beekvalleien, forten, kasteeldomeinen en nabije landbouw en natuur tussen de Rupelstreek en de Voorkempen. Stad Mechelen wordt trots omlijst door vier goed bereikbare en machtige waterlopen die natte natuurgebieden, stadsbossen en parken, vruchtbare landbouwgebieden en multifunctionele overstromingsgebieden aaneenrijgen in een beleefbaar geheel. Een hele openbaring, die we beetje bij beetje daadwerkelijk op de kaart zetten: een ‘Samen op pad-kaart’ met kindvriendelijke wandellussen en een Zuidrand vol smaak en wandelplezier naar het groene en historische erfgoed… Tegelijk worden samenhangende (deel)gebieden uitgetekend rond openruimtestructuren en vinden gemeenten, provincies en Vlaamse overheid elkaar en worden overeenkomsten gesmeed. Een streekvereniging Zuidrand krijgt vorm. Open ruimte wordt verbonden en bindt tegelijk ook een waaier aan partners en projecten, wat mee zorgt voor een heuse cultuuromslag en een regionale afstemming van verschillende ruimteclaims en ruimtelijke problematieken. Mogelijkerwijs worden dan ook meer gerichte keuzes gemaakt voor het versterken van de onbebouwde ruimte. Inderdaad meer en meer…

Artikel samen met Sabine Caremans en Myrtle Verhaeven

Charlotte Timmers, Departement Omgeving - team gebiedswerking: Ruimtelijke verbreding van grootschalige infrastructuurprojecten; casestudy Dender- en Leievallei

Op Vlaams niveau wordt een verschuiving geïnitieerd van een uitvoerende bestemmingsplanning, naar een regie voerende rol in strategische gebiedswerking op regionaal schaalniveau. Systemische analyses, ontwerpend onderzoek en structurele partnerwerking vormen hierbij een belangrijke onderlegger. Deze vorm van planning wil een brug maken tussen het Vlaams beleid en de uitvoering ervan op terrein. Zeker nu de daadkracht van ruimtelijke ordening verder afneemt, is de noodzaak hoog om zowel horizontaal als verticaal samen te werken om tot realisatie te komen. Een gebiedsgerichte werking is hierbij essentieel. Door een vaste werking met een groot terrein- en partnerkennis worden de projecten met een hoge ‘sense of urgency’ en groot hefboomeffect benoemd en tot uitvoering gebracht. Helaas wordt deze vorm van planning op Vlaams niveau in de huidige context vaak niet vanuit het beleidsdomein ruimtelijke ordening geïnitieerd. Veeleer is het de kans identificeren en grijpen om projecten vanuit andere beleidsdomeinen een ruimtelijke meerwaarde te bieden. Vaak zijn dit de grootschalige infrastructuurprojecten; landschappelijke inbedding van de A11, Ring van Antwerpen, Regionet Leuven,… Op basis van de eigen werking in de Dender- en Leievallei onderzoeken we kritisch wat strategische gebiedswerking kan betekenen. We onderzoeken hierbij de eigen rol in het proces en de ingezette instrumenten. De paper wil via ‘lessons learned’ bijdragen aan het verder vormgeven van strategische (realisatie gerichte) gebiedswerking op bovenlokaal niveau.

Ik schrijf deze paper samen met Tara Op de Beeck

Bart Van Herck, IDEA Consult
Bram Vandemoortel, Architecture Workroom: Tafels van vermenigvuldiging in de Vlaamse open ruimte

De open ruimte is boordevol. Enerzijds is ze boordevol gebruikers (voor voedselproductie, biodiversiteit of recreatie). Anderzijds vervult ze ook een heleboel maatschappelijke diensten (voor verkoeling, waterbuffering, hernieuwbare energie of als gezonde leefomgeving). Die dubbele complexiteit aan claims zal er niet minder op worden, integendeel. Ook in de toekomstige klimaatuitdagingen wordt open ruimte een onmisbare sleutel om tot oplossingen te komen. Open ruimte is, meer dan ooit, een hefboom voor een welvarende en duurzame toekomst. Dat is een kans. Als we de aanwezige lokale energie kunnen laten samensporen met een geïntegreerde gebiedsaanpak en dit op verschillende plekken tegelijkertijd, dan maken we van een concrete uitdaging een vermenigvuldigingsslag. Naar aanleiding van het succes van ‘Water+Land+Schap’ wil deze paper een actieve programmawerking als methode verder verkennen. Het laat immers toe dat lokale gebiedscoalities in hun gebied concreet aan de slag gaan, aangedreven door overheidspartijen die binnen eenbeleidsoverschrijdend thema aan hetzelfde zeel trekken en de gebiedscoalities vleugels geven. De open ruimte gaat in het offensief. Tijd voor een Open Ruimte Beweging!

Geschreven samen met: Griet Celen, Marjolijn Claeys, Joachim Declerck, Hans Leinfelder, Sirka Ludtke

Elke Vanempten, ILVO: Landbouwparken, een 'meer met meer' verhaal voor stad en open ruimte?

Open ruimte in onze verstedelijkte omgeving staat dankzij klimaatverhalen en betonstop-afkondigingen hoger op de agenda. Maar ondanks deze verhalen boert de open ruimte nog steeds achteruit. Deze bijdrage verkent het concept ‘stedelijke landbouwparken’ als een mogelijke stap om met de maatschappelijke, landbouwkundige en ruimtelijke uitdagingen van landbouwgebieden in en om onze steden om te kunnen gaan. Het concept is in veel Europese regio’s de sleutel gebleken om voedselproducenten en stadsbewoners/consumenten met elkaar in dialoog te brengen. Het resultaat is soms verbluffend. Het biedt landbouwers perspectief om (via stadsnabije productie en distributie) een nieuw én duurzaam verdienmodel uit te bouwen. De stads- en dorpsbewoner krijgt kwaliteit terug. Naast kwaliteit op het bord resulteert de samenwerking ook in toegevoegde kwaliteit (groen, recreatieve toegang, …) op landbouwgronden nabij woongebieden. Het concept ondersteunt de dialoog en inspireert tot actie. Een onderzoek van ILVO en Ugent in opdracht van het Departement Omgeving verkende de mogelijkheden naar de toepasbaarheid van het concept in de Vlaamse context. Het besluit in PlanDag-termen: het concept van landbouwparken vergt mee-koppelen tussen domeinen en thema’s, heeft de potentie om via kleinschalige transformaties grote maatschappelijke transities mee te kunnen doorvertalen, kan ‘harde’ en ‘zachte’ sectoren effectief gaan laten samenwerken, waarbij ten midden van alle stedelijke druk open ruimte open blijft, met een specifieke rol voor overheden.

Verhaeven, Strategisch project 'Open ruimte in en om Mechelen': OPEN RUIMTE IN EN ROND MECHELEN EN TEN ZUIDEN VAN ANTWERPEN, verhalen onthullen de openruimte en verbinden.

Antwerpen-Brussel, die verstedelijkte as, het hart van de Vlaamse Ruit en het metropolitaan kerngebied van Vlaanderen, wie denkt er dan nog aan open ruimte? Als je echter goed kijkt, zal je merken dat het stedelijk landschap veelzijdiger is dan het lijkt. In de strategische projecten Zuidrand Antwerpen, open en beleefbaar en Open Ruimte in en rond Mechelen zijn de afgelopen jaren inspanningen geleverd om net niet naar die verstedelijking, maar naar het landschap en de bebouwing te kijken door een open ruimte-bril. En wat blijkt ineens, ten zuiden van Antwerpen vinden we een streek die bestaat uit een regionale parkomgeving met wel tien beekvalleien, forten, kasteeldomeinen en nabije landbouw en natuur tussen de Rupelstreek en de Voorkempen. Stad Mechelen wordt trots omlijst door vier goed bereikbare en machtige waterlopen die natte natuurgebieden, stadsbossen en parken, vruchtbare landbouwgebieden en multifunctionele overstromingsgebieden aaneenrijgen in een beleefbaar geheel. Een hele openbaring, die we beetje bij beetje daadwerkelijk op de kaart zetten: een ‘Samen op pad-kaart’ met kindvriendelijke wandellussen en een Zuidrand vol smaak en wandelplezier naar het groene en historische erfgoed… Tegelijk worden samenhangende (deel)gebieden uitgetekend rond openruimtestructuren en vinden gemeenten, provincies en Vlaamse overheid elkaar en worden overeenkomsten gesmeed. Een streekvereniging Zuidrand krijgt vorm. Open ruimte wordt verbonden en bindt tegelijk ook een waaier aan partners en projecten, wat mee zorgt voor een heuse cultuuromslag en een regionale afstemming van verschillende ruimteclaims en ruimtelijke problematieken. Mogelijkerwijs worden dan ook meer gerichte keuzes gemaakt voor het versterken van de onbebouwde ruimte. Inderdaad meer en meer…

De paper wordt samen ingediend met Gerard Stalenhoef en Sabine Caremans

Peter Vervoort, Departement Omgeving, Vlaams Planbureau voor Omgeving: Wat als? … we nu eens echt actie zouden ondernemen om de urban sprawl in Vlaanderen te verminderen.

Wat als? … we nu eens echt actie zouden ondernemen om de urban sprawl in Vlaanderen te verminderen. (Pisman Ann, Mertens Geert, Loris Isabelle, Vervoort Peter) & Meer ruimtebeslag en minder open ruimte in Vlaanderen. Een meer gedetailleerde analyse van de feiten. (pisman Ann, Vanacker Stijn, Strosse Veerle, Vervoort Peter, Vermeiren Kalteen, Bieseman Helena)

zie inschrijving Ann Pisman (paper 1) en Katleen Vermeiren (paper 2)

Rien van de Wall, perspective.brussels