deelnemers

Totnogtoe hebben de volgende personen zich opgegeven:
Chris Anseeuw, VMSW Brussel: Wat de corona(crisis)tijd ons leert over de publieke ruimte
De Covid-19 pandemie had een zware impact op het gebruik van publieke ruimte. Autosnelwegen bleven leeg, speelpleintjes werden gesloten en parken kenden een ongeziene aantrekkingskracht. De zekerheid over de inrichting van de publieke ruimte kwam op losse schroeven te staan. Ook verdichting werd plots terug in vraag gesteld. Het is een wake-up call om de publieke ruimte te herdenken op vlak van schaal, gebruik en inrichting. Uit de analyse blijkt de nood aan een robuust en veerkrachtig openbaar domein. In de paper onderzoeken we hiervan de kenmerken en mogelijke toetsingscriteria.
Gulay Aydogan, Ruimtelijk Planner, Provincie Limburg
Hilke Batist, stedenbouwkundige Wissing
Hans van den Berg, Departement Omgeving: Een evaluatie van het planbaten-instrument in Vlaanderen
In 2009 werd de planbatenregeling operationeel voor het ganse Vlaamse gewest. Het planbatensysteem is een ruimtelijk beleidsinstrument waarbij aan grondeigenaars een compensatie wordt gevraagd in ruil voor de toename van de waarde van een perceel als gevolg van een bestemmingswijziging door een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP). De heffing bedraagt slechts een beperkt percentage van de werkelijke meerwaarde. Naast een actieve monitoring is men momenteel bezig met een effectiviteitsmeting van het planbatensysteem. Deze meting belicht vooral kwalitatieve aspecten van het beleidsinstrument. In deze paper beperken we ons tot de kwantitatieve aspecten, maar ook enkele mogelijkheden tot optimalisatie van het instrument zullen aan bod komen. Door middel van bijkomende analyse kunnen er nog heel wat inzichten worden verworven over planbaten in relatie tot de ruimtelijke context. Zo wordt in deze paper de verdeling onderzocht van de planbaten per type gebied (kerngebied versus periferie, stedelijk gebied versus open ruimte). De verdeling van de planbaten per type bestemmingswijzigingen en het soort RUPs die tot planbaten leiden wordt eveneens getoetst. We gaan ook in op een aantal bijkomende aspecten. Zo is goede communicatie en een efficiënte rolverdeling essentieel voor een optimaal werkend planbatensysteem. Het is ook de bedoeling om bestaande uitwisselingssystemen verder te optimaliseren en op die manier databases toegankelijker te maken voor alle stakeholders. Dit zal leiden tot meer effectiviteit en een uitbreiding van de mogelijkheden tot monitoring van het instrument.
Helena Bieseman, Departement Omgeving: Een evaluatie van het planbaten-instrument in Vlaanderen
Ik schrijf mee aan de bijdrage die door Hans van den Berg is ingediend over de planbatenheffing in Vlaanderen.
Beitske Boonstra, Erasmus Universiteit Rotterdam
Kristiaan Borret, Perspective – Brussels Planning Agency
Martijn van den Bosch, Mitros Utrecht
Geiske Bouma, TNO
Ingo Bousema, Rijksuniversiteit Groningen: Sturing geven aan complexe mobiliteitssystemen: een kijk op de rol van adaptief vermogen
De aansturing, of governance, van mobiliteitssystemen vindt plaats in een complexe omgeving: er is sprake van een groot aantal betrokken actoren, sterke onderlinge relaties tussen onderdelen van het systeem en onzekere toekomstige ontwikkelingen. In reactie hierop is er groeiende erkenning voor de noodzaak om adaptief te werk te kunnen gaan in het aansturen van mobiliteitssystemen. Een centraal concept hierin is het adaptief vermogen: Het vermogen van een systeem om zich aan te kunnen passen aan veranderingen. Het creëren van dit vermogen vraagt om veranderingen in gedrag, middelen en technologie. Kennis over het concept is echter gefragmenteerd, wat de operationalisatie ervan belemmert. Hierdoor is het moeilijk om adaptief vermogen in de praktijk te analyseren en lessen te verzamelen om het vermogen te vergroten. In dit paper wordt een literatuurstudie gepresenteerd waarin bestaande adaptieve sturingsbenaderingen met elkaar vergeleken worden. Aan de hand hiervan wordt een raamwerk voorgesteld om het adaptief vermogen van initiatieven in de praktijk te analyseren. Dit raamwerk stelt ons in staat om huidige initiatieven ten behoeve van adaptief vermogen te evalueren. Daarnaast kan het gebruikt worden om adaptief vermogen te vergelijken op verschillende momenten in de tijd of tussen verschillende governance systemen. Bovendien maakt het overzichtelijk waarin geïnvesteerd moet worden om adaptief vermogen te stimuleren.
Kobe Boussauw, Vrije Universiteit Brussel - Cosmopolis Centre for Urban Research: Ruimtelijke planning en transportplanning: twee gescheiden werelden?
Zowel in de academische literatuur als in de planningspraktijk wordt geregeld verwezen naar het gebrek aan integratie van de vakgebieden van de ruimtelijke planning enerzijds, en van de transportplanning anderzijds. Hoewel er zowel in het onderzoek als in de praktijk regelmatig pogingen tot toenadering worden gedaan, lijken de muren tussen beide domeinen vrij stevig te zijn en is er nog niet meteen sprake van verregaande integratie. Voor buitenstaanders is dat moeilijk te begrijpen, omdat de aanleg van transportinfrastructuur vaak erg ingrijpend is voor de omgeving. Daarnaast is bereikbaarheid, het voorwerp bij het uitstek van transportplanningsactiviteiten, een belangrijke sturende factor in de ruimtelijke ontwikkeling van steden en regio’s. In deze paper verken ik de achtergrond van dit schisma, waarbij ik vertrek van de hypothese dat elk van beide domeinen zich met een heel ander paradigma identificeert, en bijgevolg een ander vocabularium hanteert. Dit vertaalt zich in verschillende onderwijs- en onderzoekstradities, en uiteindelijk ook in gescheiden beleidsdomeinen binnen de overheid. Hoewel deze veronderstelde basis voor de gescheiden werelden van de ruimtelijke planning en de transportplanning eerder abstract kan klinken, kan het bestuderen van projecten waar beide domeinen elkaar ontmoeten verhelderend werken. Een sprekend voorbeeld is de renaissance van de stadstram, waarbij een nieuwe tramlijn door stedenbouwkundigen gezien wordt als de ruggengraat van een stadsvernieuwingsprogramma, terwijl transportplanners vooral oog hebben voor de vervoerswaarde.
Björn Bracke, OMGEVING Gent
Cateau Albers, PosadMaxwan: Richting geven aan het gewenste toekomstbeeld op de ontwikkeling van Nederland op het schaalniveau van de wijk
Nederland bevindt zich in een kantelperiode: nu en in de komende decennia zal onze leefomgeving grote veranderingen ondergaan als gevolg van transities op het gebied van energie, klimaatadaptatie, mobiliteit, verstedelijking, natuurinclusiviteit en sociaaleconomische verhoudingen. Iedere transitie brengt complexe opgaven met zich mee, die onderling verweven zijn qua tijd én qua ruimte. Een transitie betekent niet per definitie een structurele verbetering richting duurzamere systemen; overheid én samenleving moeten gezamenlijk richting geven aan het gewenste toekomstbeeld op de ontwikkeling van Nederland. Terwijl een bewoner met een integrale blik naar de leefomgeving kijkt, hebben overheden vaak een sectorale blik. De overheid kan transities beïnvloeden en versnellen, maar transities komen vooral op gang in het hart van de samenleving. Aan die veranderdynamiek moet richting gegeven worden, zodat een samenhangend en pragmatisch toekomstbeeld gerealiseerd kan worden: opgaven kunnen niet los worden bezien én het moet leiden tot een samenstelling van gewenste veranderingen (PBL, 2018). De wijk is bij uitstek het schaalniveau waar deze veranderdynamiek zichtbaar wordt. Daar zijn publieke en private stakeholders bij betrokken, die intensief moeten samenwerken en belangen moeten afwegen om transitieopgaven qua tijd en ruimte goed in te passen in de wijk. Uit de praktijk blijkt dat daarbij grote behoefte is aan sturing bij het identificeren van en keuzes maken bij kansen en tegenstrijdige belangen. Deze paper gaat in op handreikingen die vanuit het perspectief van hogere overheden kunnen worden ontwikkeld om stakeholders op wijkniveau te ondersteunen, voortkomend uit het onderzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken naar een integrale, ruimtelijke wijkaanpak.
Tristan Claus, UGent & KULeuven: U kan voor mij de was doen, maar geef mij geen vergunning omdat ik u dat lief gevraagd heb
Beste Walter De Donder, Beste meneer de burgemeester, Ik bewonder u voor uw barmhartigheid. Elke week neemt u de tijd om uw burgers te woord te staan op facebook-live. “Hier ben ik, wat kan ik voor u doen?”, zegt u dan. Al snel volgen de eerste reacties: “Wat met de toenemende verstedelijking rond Brussel?”, “kunnen jullie de fietspaden aanpassen voor mijn elektrische scooter?” of “wanneer krijg ik nu eindelijk een parkeerplaats om mijn camion op te zetten?”. Geen enkele vraag is te veel voor u. Het was een slimme zet: via sociale media zo dicht mogelijk bij zoveel mogelijk burgers staan, in de hoop zo de nieuwe CD&V-voorzitter te kunnen worden. Die titel ging helaas naar iemand anders, maar van mij mag u zichzelf wel de Nostradamus van landelijk Vlaanderen noemen. Daar waar andere burgemeesters hun wekelijks spreekuurtje on hold moesten zetten vanwege de kans op coronabesmeting, kon u zonder problemen door met het helpen van uw burgers. En dat terwijl de hele wereld kon toekijken! Er moet mij echter iets van het hart. Ondanks mijn bewondering voor u, ben ik blij dat u er nooit in geslaagd bent een zeteltje in het parlement te bemachtigen. Dat u vooralsnog niet in staat bent om de lokale, individuele onzekerheden van uw burgers door middel van decreten te vertalen naar regionale, generieke zekerheden.
Katrien Coremans, stad Leuven
Bart Cosijn, Bart Cosijn Gespreksleiding
Tessa Cramer
Senne De Bleser, stedenbouwkundige . landschapsarchitect, OMGEVING
shana debrock, Departement Omgeving
Jonas De Maeyer, Endeavour
Sophie De Mulder, Departement Omgeving: De verrassende zekerheid van ruimtelijke voorwaarden voor bedrijven: een eerste aanzet van een ondersteunende beleidstool Jan Zaman, Inge Pennincx, Sophie De Mulder
Economische activiteiten vind je overal in Vlaanderen: niet alleen op bedrijventerreinen, maar ook in woonomgevingen en in het buitengebied. Een belangrijk inzicht binnen het ruimtelijk-economisch beleid is dat de locatiekeuze van een bedrijf vaak niet de eerste bekommernis is voor een bedrijf. Ruimtelijk-economisch beleid verenigt bedrijfsvragen en andere maatschappelijke vragen in de ruimte. Om dat beleid vorm te geven, is het van belang om in te schatten wanneer en hoe ingrepen mogelijk zijn. Sinds 2015 voert Departement Omgeving onderzoek naar economische locaties. Om te begrijpen hoe economie en ruimte interageren, vertrekken we van de microschaal (het bedrijf op een bepaalde plaats). Achter de locatie van een bedrijf schuilt een bepaalde individuele afweging, die deel uitmaakt van de bedrijfslogica. Doorheen de jaren hebben literatuur, observaties op het terrein via een terreininventarisatie van 37.558 ha, gesprekken met bedrijven, ontwerpend onderzoek,… informatie opgeleverd over vestigingsplaatsfactoren in de vorm van ‘stated’ en ‘perceived preferences’. Hieruit komen ruimtelijke parameters die overeenkomen met vraag van bedrijven op niveau van een gebied (nabijheid markt, noden i.v.m. vrachttransport,…). De verwerking van de terreininventarisatie naar economische gebiedstypes en koppeling aan relevante gebiedskenmerken (zichtbaarheid, passage voetgangers,…) levert 24 ‘ideaaltypische’ gebieden (of segmenten) op. Met dit rijk onderzoeksmateriaal kunnen we het beleid ondersteunen om ruimtelijke afwegingen te maken: (1) heeft een gebied de juiste ruimtelijke kenmerken voor de bedrijven die zich daarin bevinden en (2) als we het gebied transformeren van het ene segment naar het andere, wat betekent dit voor de huidige bedrijven? Beslissingsbomen als afwegingsmanier staan centraal.
Jan Denoo, Endeavour: The Quest for Uncertainty. Decolonizing the Future in Urban Planning.
Uncertainty can be seen as the raison d’être of planning. Coping with uncertainty lies at the heart of planning practice. Given that uncertainty is a social construct and shapes the means and ends of planning, the discourses that construct its often-naturalized representation beg critical scrutiny. As a contribution to address this research gap, this work aims to uncover in what ways the representation of uncertainty shapes post-WWII urban planning in the Global North. As a critical and extreme case, the planning history of Brussels’ Northern Quarter is analyzed using Critical Discourse Analysis on data gathered through 20 months of ethnography, desk and literature research and 37 interviews, focus groups and debates with key public, private and civic actors. Combining a phased and transhistorical analysis of post-WWII planning history, time-specific variety as well as transhistorical similarity validate a recurring threefold pattern – (i) a ‘common good crisis’ (ii) that legitimizes a ‘new mode of planning’ and (iii) fixes masked economic uncertainties while reproducing power structures through the production of space. This research provides two major contributions. First, this work recenters uncertainty and its social construction as a crucial arena in shaping urban planning. Concealing or uncovering this arena is framed as essential to colonizing and ‘decolonizing’ the future in urban planning. Second, nearly a century after John Dewey’s ‘The Quest for Certainty’ (1929), this research opens up new avenues for theoretical and practical engagements with its antipode to contest ever-new means that mask ever-old ends of planning post-political urbanities.
Tim Devos, Endeavour / UGent
David Dooghe, Plandag
Marten Dugernier, Antea group Antwerpen
Valentijn Ebbers, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Erik van den Eijnden, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Julian Gelens, Gemeente Breda
Hannelore Goyens, Liesbeth Huybrechts (UHasselt, Faculteit Architectuur) en Davy Janssens (UHasselt, Faculteit Mobiliteitswetenschappen): Wij delen de straat. Hoe een platform-methodiek vaardigheden aanscherpt voor ruimtelijk ontwerp in een toenemende onzekere wereld.
De publieke ruimte – de straat – is iets dat we delen. In de loop van vorige eeuw heeft het zich uitbreidende mobiliteitssysteem, meer bepaald de dominantie van de auto, deze ruimte geleidelijk aan letterlijk verdeeld. Maar ook figuurlijk draagt de toenemende drukte van wegen bij aan onzekerheid en onenigheid over hoe met deze complexe problematiek van steeds meer drukke wegen om te gaan: hun economische en functionele noodzaak wordt afgewogen ten opzichte van hun nadelen voor sociale cohesie en ecologisch evenwicht. Binnen de context van het complex project Noord-Zuid Limburg stellen we het huidige mobiliteitssysteem als iets dat al jaren de gemeenschap en de politiek “verdeelt” in vraag door het als gedeelde ruimte te herontdekken. We ontwikkelden een “platform-methodiek” die optimaal aandacht kon geven aan wat ons verbindt als basis voor een duurzame mobiliteitstransitie. We bespreken meer bepaald een deel-case waarbinnen we leerlingen samen brachten in het Platform Mobiliteit als “ontwerpers van de straat”. In deze paper reflecteren we op hoe we in deze case een platform-methodiek uitbouwen die het werk aan de Noord-Zuidverbinding als een gedeelde ruimte mogelijk maakte. We bespreken de vaardigheden die tijdens dit proces ontwikkeld werden en de tools die het bouwen van die vaardigheden ondersteunden. De paper roept tenslotte vragen op over hoe deze methodiek jonge mensen, maar ook de betrokken ruimtelijk ontwerpers, houvast kan bieden om met ruimtelijke vraagstukken om te gaan in een toenemende onzekere wereld.
Maarten Grotholt en Lisette van der Kolk, Sweco NL: Transities als containerbegrip: Hoe transities te pas en onpas worden ingezet als lege containerbegrip, en hoe dit te voorkomen
Wat hebben de volgende woorden met elkaar gemeen: duurzaamheid, veerkracht, circulair, smart en participatie? Het zijn modewoorden in de planologie die meerdere betekenissen kunnen hebben. Zonder verdere omschrijving of concretisering zijn het al snel lege containerbegrippen die te pas en te onpas ingezet worden. Dit heb je veel zien gebeuren rondom duurzaamheid en zie je nu soms ontstaan bij het gebruik van de term transitie. Het transitie denken heeft consequenties voor betrokken organisaties en het gehele ruimtelijk domein. Omdat organisaties wel de voordelen van transities zien en niet de consequenties overzien, ontkomen wij niet aan de indruk dat transities in veel gevallen enkel als sausje over een project of visie wordt gegooid.

Transities zijn complex en gaan gepaard met hoge mate van onzekerheid. Het betreft een fundamentele verandering in denken en doen. Men weet dat het anders moet, maar wat precies en hoe de gewenste situatie er exact uitziet is onduidelijk. Om te onzekerheid te mitigeren wordt er gevaagd naar het bekende in een nieuw innovatief jasje. Dit is dan ook een innovatie maar geen transitie met een fundamentele verandering. In deze bijdrage reflecteren we op het gebruik van het woord transities. Daarnaast geven we drie uitgangspunten om transities beter te framen zodat geen containerbegrip wordt.

Wesley Gruijthuijsen, AGORA magazine
Annemarie Hatzman, Antea Group
Marjolein Heezen, TNO: De impact van COVID-19 op het veerkrachtig handelen in steden, voorbeelden vanuit het perspectief van smart cities en mobiliteit.
De COVID-19 crisis is in eerste instantie een gezondheidscrisis, maar brengt daarnaast ook economische, sociale, politieke, technologische, omgevings-, mobiliteits- en ruimtelijke vraagstukken met zich mee. Waar op nationaal niveau kaders gesteld worden en steun wordt geboden, wordt de maatschappelijke impact veelal op stedelijk niveau gevoeld. Op dit stedelijke niveau spelen naast de COVID-19 crisis ook de bekende transitieopgaven, zoals de woningbouwopgave, klimaatadaptatie, de energietransitie en een mobiliteitstransitie, allen in een context van fundamentele onzekerheid. De strijd om ruimte in de stad komt door COVID-19 verder onder druk te staan en het belang van een balans tussen rust en reuring is belangrijker dan ooit. COVID-19 is een disruptieve crisis en creëert hiermee zowel kansen en ruimte in het bestaande systeem als bedreigingen. Waar richten steden in Europa zich op in hun ruimtelijke vertaalslag van deze crisis? Wat kunnen we leren van stedelijke reacties buiten de Nederlandse landsgrenzen als we kijken naar de bestaande transitieopgaven? De paper gaat in op de impact van de COVID-19 crisis op het ruimtelijk domein door te kijken naar voorbeelden van stedelijk beleid en de stedelijke en regionale praktijk in Europa. We beschouwen hoe steden sterker uit de strijd kunnen komen door adaptief en transformatief vermogen toe te passen. Dit wordt beschreven aan de hand van een aantal casussen rondom smart cities en mobiliteit en resulteert in een analyse hoe steden veerkrachtiger en slimmer kunnen inspelen op hun maatschappelijke doelen met zowel korte als lange termijn in het oog.
Jurgen van der Heijden, AT Osborne: Meervoudig investeren in warmte
Meervoudig Investeren in warmte Eva Pfannes, OOZE Architects, Jurgen van der Heijden en Rueben Kieffer, AT Osborne De ene na de andere gemeente laat bewoners zien wat voor hun wijk de beste oplossing is om los te komen van aardgas. Populair is het lage temperatuur warmtenet, maar dat redt het vrijwel nergens zonder subsidie. Moeten de belastingen omhoog om overal in het land subsidie te kunnen geven? Misschien, maar interessant is dat een warmtenet veel meer kan leveren dan alleen warmte. Koude en bestrijding van energiearmoede zijn twee uit een lange reeks extra waarden die dit net kan leveren. Voor koude willen klanten betalen, dat brengt de vraag om subsidie omlaag. Voor armoedebestrijding willen overheden betalen, dat betekent extra onderbouwing voor subsidie. De investeringsbeslissing in een warmtenet lijkt er met zoveel extra waarden niet eenvoudiger op te worden. Investeerders en zeker hun financiers stellen eenvoud op prijs, want dat helpt om risico’s te kunnen inschatten. Belangrijk is om hen het leven te veraangenamen, opdat zij niet afzien van warmtenetten nu juist deze uit alle studies komen. Wij presenteren een methode om de investering in een lage temperatuur warmtenet op breken in een reeks stappen, kleine en grotere, die met weinig risico te zetten zijn en zonder spijt, no regret. Begin is een kort overzicht van feiten van een lage temperatuur warmtenet. Daarop volgt een investeringsstrategie om in stappen, klein en groot, te werken aan de reeks waarden die een warmtenet kan creëren. De financiering van deze strategie komt daarna.
Jan van Hoof, KU Leuven Departement Architectuur: Het blootleggen van de wortels van onzekerheid
De ruimtelijk professional is verantwoordelijk voor het podium dat sinds mensenheugenis ruimte biedt aan verschillende spelen, uitgevoerd door actoren en collectieven die samen de maatschappij vormen, en die zich gelijktijdig afspelen. We kunnen stellen dat, door de jaren, deze spelen zelf complexer zijn geworden, maar belangrijker is dat het podium niet meer als een gegeven wordt beschouwd en dat het samen met de rol van de ruimtelijk professional actief in vraag wordt gesteld. De verwachtingen van het hedendaagse podium is dat het in functie staat van wat erop plaatsvindt en de vraag is of de ruimtelijk professional voldoende kennis hiervan kan hanteren om op te bouwen. Peter Marcuse (2007) omschreef op basis van de benadering van de wederopbouw van New Orleans na de orkaan Katrina, een vorm van ruimtelijke planning die hij “critical planning” noemde. Critical planning formuleert zich op basis van een collaboratief leertraject dat bestaat uit drie stappen: Expose, propose en politicize. Dit paper legt de focus op de expose fase; collaboratief onderzoek dat zich niet beperkt tot het in kaart brengen van symptomen, maar ook de wortels hiervan tracht bloot te leggen, als een afzonderlijke en eerste stap in het proces van stedelijke vernieuwing in Vlaanderen. Het paper reflecteert aan de hand van de “critical planning” van Marcuse op het lopende stadsvernieuwingsproject van de wijk Muide-Meulestede, onderdeel van de stad Gent. Op deze wijze wil het de expose fase lokaliseren in het lopende proces en het belang ervan duiden naar zowel het lopende, als voor volgende stadsvernieuwingsprojecten.
Liesbeth Huybrechts, UHasselt, Faculteit Architectuur
zie Hannelore Goyens
Davy Janssens (UHasselt, Faculteit Mobiliteitswetenschappen)
zie Hannelore Goyens
Griet Juwet, Vrije Universiteit Brussel: De energietransitie: hefboom voor fundamentele ruimtelijke en sociale verandering of business as usual?
De transitie naar een duurzaam energiesysteem is een complex proces waarin heel wat factoren onzekerheid creëren voor lokale overheden, ondernemers en burgers. Regionale ruimtelijke energievisies of lokale warmtezoneringsplannen formuleren een lange termijnskader dat een gedeeld perspectief kan bieden voor al deze actoren. Toch blijft lokale energieplanning geconfronteerd met verschillende vormen van onzekerheid, zoals de moeilijke inschatting van het toekomstige potentieel van verschillende technologieën, de onzekere beleidscontext op Vlaams niveau door het discontinue energiebeleid, de onduidelijkheden over de implementatie van het Beleidsplan Ruimte en de bouwshift, en de nodige verankering en implementatie van regionale energieplannen via Ruimtelijke Ordeningsinstrumenten. Ondanks, of misschien net omwille van, deze onzekere context, klinkt de roep naar concrete oplossingen voor de energietransitie alsmaar luider nu de urgentie van de klimaatproblematiek niet meer te ontkennen is. Daarmee komt tegelijk een spanning naar boven tussen de vraag naar doelgerichte actie enerzijds, en de nood aan een fundamentele verandering van de ruimtelijke en sociale organisatie van het energiesysteem anderzijds. Kan de introductie van duurzame energie-infrastructuur een hefboom zijn om ruimtelijke structuren te verduurzamen, en de energiesector democratischer te organiseren? Of leidt de klimaaturgentie tot technologische oplossingen en ‘business as usual’? Kost het inzetten op alternatieve organisatiemodellen en duurzame ruimtelijke ontwikkeling kostbare extra tijd, of kan het net de energietransitie ondersteunen en versnellen? Vanuit observatie-onderzoek bij twee regionale energievisietrajecten in de regio’s Leiedal en Waasland, verkent deze paper of en op welke manier ruimtelijke planning kan bijdragen tot het in vraag stellen van onefficiënte verstedelijkingspatronen en bestaande machtsverhoudingen in de energiesector.
Fatma Kamas, Departement Omgeving
Lisette van der Kolk, Sweco NL
zie Maarten Grotholt
Eveline Kokx, sr. beleidsadviseur ruimtelijk domein gemeente Den Haag
Sjoerd Krijnen, Beleidsmedewerker Mobiliteit Gemeente Den Haag
Clenn Kusterman, projectleider stedelijke ontwikkeling, Gemeente Den Haag
René van der Lecq, expert Departement Omgeving, Brussel
Thomas Machiels, Universiteit Antwerpen: Waarom worden onzekerheden genegeerd in grote complexe planningsvraagstukken?
Megaprojecten of grote infrastructuur- en stadsprojecten zijn een planningsonderdeel waarin complexiteit en onzekerheden onvermijdbaar zijn, eens te meer in de huidige en steeds sneller veranderende planningscontext. In megaprojecten wordt weinig gedaan om onzekerheden te ‘omarmen’. Ze worden eerder genegeerd ten gunste van het vereenvoudigen van hun complexiteit. Beleidsondersteunende instrumenten die de monetaire en maatschappelijke kosten, baten en impact doorrekenen of inschatten geven eerder de voorkeur aan exacte voorspellingen voor één toekomstscenario. Dit is de dominante maar tegelijk een zeer rigide en statische planningsaanpak. Onzekerheden worden genegeerd, maar niet gereduceerd. De ‘gecreëerde zekerheid’ is slechts een illusie want een voorspelling omvat altijd onzekerheid. Wanneer onzekerheden verhuld worden, kunnen ze projecten ernstige schade toebrengen in de vorm van kostenoverschrijdingen, zwakke resultaten, onverwachts negatieve gevolgen voor de samenleving, of eenvoudigweg gefaalde projecten. De aandacht voor adaptieve planning is de afgelopen tien jaar sterker toegenomen onder experts en academici. Het is een planningsaanpak waarin onzekerheden worden erkend en proactief mee wordt omgegaan door middel van flexibiliteit. Besluitvorming en praktijk blijft steevast kiezen voor een vals gevoel van zekerheid. Dit onderzoek wil begrijpen waarom onzekerheden worden genegeerd in megaprojecten. Drie theoretische verklaringsmodellen worden hiervoor ontwikkeld en toegepast op een casestudie in Vlaanderen, het lopende complex project voor de bouw van een tweede zeesluis in de haven van Zeebrugge. Het negeren van onzekerheden begrijpen en verklaren is een vertrekpunt voor oplossingen die een omslag kunnen faciliteren van een statische naar een adaptieve aanpak van complexe projecten en planningsvraagstukken.
Isabelle Loris, Vlaamse Overheid - departement Omgeving: Woningmarktarena’s. Hoe, met wie en waar in overleg treden om ruimtelijke doelen te realiseren?
De paper presenteert het concept van een ‘woningmarktarena’, dat een alternatief biedt voor het begrip ‘woningmarkt’ of ‘woonregio’. Dit laatste blijkt problematisch in de praktijk van het woonbeleid, omdat het gebaseerd is op definieerbare en goed afgebakende geografische contouren. Daarom blijft het lopende debat over “welk schaalniveau het beste is” het debat voeden, terwijl de dynamiek op de woningmarkt vele malen complexer en meervoudig is dan bij een structuralistische geografische benadering. Het concept ‘arena’ lijkt in dit opzicht geschikter, omdat het beter omgaat met de meervoudige dynamiek en het gedrag van actoren, die een belangrijke rol spelen op de woningmarkt. Daarbij laat de paper ook zien hoe geografische en actor-relationele onderzoeksmethoden kunnen worden gecombineerd, om een vollediger beeld te geven van een probleem dat behoefte heeft aan concrete hulpmiddelen in woonbeleid en ruimtelijk beleid.
Martens Marc, bureau voor architectuur & planning Leuven
Marlies Meijer, Universiteit Utrecht
Geert Mertens, Vlaamse Overheid: Impact van COVID-19 op het omgevingsbeleid
De paper verkent de impact van de COVID-19 crisis op het (ruimtelijk) omgevingsbeleid. De analyse neemt als kijkrichting de crisis aan te grijpen om een betere toestand van onze fysieke leefomgeving te bewerkstelligen. COVID-19 heeft het leven grondig verstoord. En er is geen twijfel, de crisis zal de komende jaren haar sporen nalaten. Ook in de manier waarop we naar onze leefomgeving kijken. Toch is het nuttig zaken in tijdsperspectief te plaatsen. COVID-19 beheerst vandaag alle gemoederen maar over pakweg 30 jaar zullen we hierop terugkijken zoals op de oliecrisis in de jaren 70. Een gebeurtenis zoals zo velen. De paper bundelt enkele relevante inzichten vanuit de invalshoeken nederzettingenstructuur, leefomgevingskwaliteit en governance. Het scheidt zin en onzin. Het benoemt kansen en bedreigingen. En het doet op basis van aanbevelingen voor een post-corona omgevingsbeleid een pleidooi om omgevingsopgaven een serieus gewicht te geven in de economische herstelplannen.

Indiening paper samen met: Shana Debrock, René Van der Lecq

klaas nijs, contract and innovation manager Antea Group Belgium
Lilian Oskamp, Afdeling mobiliteit
Steven Petit, OMGEVING Gent
Ann Pisman, departement Omgeving: Bieden scenario’s zekerheid in een onzekere toekomst? Hoe het departement Omgeving de afgelopen jaren experimenteerde met scenariodenken.
De PlanDag 2020 heeft als thema “nieuwe zekerheid”. De afgelopen jaren werden diverse strategieën ontwikkeld die helpen bij het omgaan met onzekerheden in de toekomst. Scenario-denken is één van die strategieën. Via de ontwikkeling van scenario’s worden mogelijke toekomsten verbeeld en worden de complexiteit en onzekerheden waarmee het beleid, gericht op de fysieke leefomgeving, te maken heeft verkend en geëxpliciteerd. Binnen het departement Omgeving is er enige ervaring met scenario-oefeningen, vaak gesitueerd in een voorbereidend traject naar het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, klimaat- of luchtbeleidsplan. Verder werden in tal van onderzoeksprojecten scenario’s ontwikkeld in relatie tot specifieke thematieken of beleids- of onderzoeksvragen, zoals de betaalbaarheid van de betonstop of de kost van urban sprawl. Ook buiten het beleidsdomein zijn er interessante projecten uitgevoerd of lopende. Zo startte het Departement Mobiliteit en Openbare Werken een scenario-oefening in 2019. In Nederland werden onder meer de twee referentiescenario’s “Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving” ontwikkeld. In deze paper zullen de belangrijkste resultaten uit voorgaande scenario-oefeningen door het departement Omgeving worden toegelicht, onderscheid makend tussen context- en beleidsscenario’s. Uit de diverse oefeningen valt veel te leren. Het ontwikkelen van scenario’s vraagt een open mindset om los te komen van het heden. Het analysewerk heeft geresulteerd in een grote diversiteit, “wildgroei”, aan scenario’s. Dit is enerzijds verrijkend, maar brengt ook nadelen met zich mee op vlak van duidelijkheid, communiceerbaarheid, werklast en vergelijkbaarheid. Tenslotte staan we stil bij de mate waarin deze scenario’s effectief tot nieuwe inzichten of tot nieuw beleid hebben geleid.
Peter Pol
Siebe Puynen, Adviseur Klimaat en Ruimte, Antea Group Belgium
Nicole Rijkens Klomp, Pantopicon
Marc Rijnveld, Public Mediation
Ilse van Rijsingen, Provincie Noord-Brabant
Daphné Roels, landschapsarchitect . stedenbouwkundige, OMGEVING
Jonah Scheppers
Jan Schreurs, KU Leuven: Wanneer onzekerheid ‘productieve onzekerheid’ wordt
Ruimteplanning en onzekerheid zijn innig met elkaar verbonden. De belangrijkste factoren daarbij zijn disparate wensen en verwachtingen van stakeholders, de onmogelijkheid om exact in te schatten welke effecten geplande maatregelen zullen teweegbrengen, en de onkenbare toekomstige context waarmee de realisaties zullen interageren. Veel stadsvernieuwings en -ontwikkelingsprojecten moeten met combinaties van dergelijke onzekerheden omgaan. Meervoudige onzekerheid kan echter zeer productief zijn. De paper focust op een instrument van het Vlaams Stedenbeleid, de ‘conceptsubsidie’. Meer en meer steden zetten dit in om transformatieve kaders te ontwerpen die onderbepaalde of chaotische situaties kunnen uitklaren, benoemen en transformeren. Met die conceptsubsidie engageren stadsbesturen een multi-disciplinair team om samen met het regieteam van het Vlaams Stedenbeleid en het stedelijk beleid een prospectief experimenterend proces te doorlopen. Dergelijk team zet in op kritische analyse en co-creatieve visievorming omtrent integrale duurzame ontwikkeling (ruimtelijk, sociaal-economisch, milieu). Het proces van concept-ontwikkeling beoogt zowel het lokaal aanmaken van nieuwe stedelijkheid als het zoeken naar opschaalbare benaderingen. De ‘zekerheid’ nodig om dergelijke onderneming aan te gaan wordt geproduceerd in een collectieve leerproces. De subsidie en de begeleidende ondersteuning faciliteren intensieve kennisuitwisseling tussen relevante stakeholders. De paper analyseert aan de hand van enkele dergelijke co-creatieve trajecten hoe processen en de resulterende concepten structureel bijdragen tot een productief collectief leerproces. Innovatieve framing, transdisciplinaire kennisontwikkeling, verankering in stedelijke praktijkgemeenschappen, lokale capaciteitsopbouw, en verbindingen met andere processen, worden geduid als sleutelfactoren en voorwaarden voor daadwerkelijke implementatie. Jan Schreurs, Marc Martens
Vidar Stevens, Mulier Instituut: Ruimtelijke sport- en recreatiekeuzes maken in lokale Omgevingsvisies
In Nederland is de visievorming rondom de lokale Omgevingsvisies in volle gang. In veel gemeenten vinden er momenteel participatietrajecten plaats waarbij ambtenaren en politici samen met maatschappelijke organisaties, bewoners, ondernemers, en verenigingen hun hoofd buigen over ruimtelijke keuzes in hun gemeente voor de komende 10 à 20 jaar. In deze visieplannen worden keuzes gemaakt en een richting bepaald voor de lokale fysieke leefomgeving. Tot op heden hebben verschillende auteurs gekeken naar de consequenties van de nieuwe lokale Omgevingsvisies op beleidsonderwerpen zoals energietransitie, verduurzaming van de leefomgeving, waterbeheer en hittestress. Voor minder ‘vanzelfsprekende’ ruimtelijke ontwikkelingsthema’s, zoals sport en recreatie, liggen er echter ook kansen om de lokale, fysieke leefomgeving beweegvriendelijker te maken. Dit artikel voert een meta-analyse uit, en bekijkt hoe binnen 25 omgevingsvisies lokale overheden keuzes maken om sport en bewegen een plek te geven binnen de leefomgeving van de gemeente. Hiervoor gebruiken wij zowel kwantitatieve- en kwalitatieve onderzoekmethoden. Op deze manier willen wij inzichtelijk maken hoe gemeenten het sport- en recreatiebeleid inbedden in de ruimtelijke transitie van de nieuwe Omgevingswet. Ons doel is om sportambtenaren te informeren wat er met de komst van deze wet verandert, hoe zij met de onzekerheid van lange-termijn beleidsvorming om kunnen gaan, en waar binnen lokale Omgevingsvisies aanknopingspunten voor hun werk liggen.
Patricia Theuws, Bureau Queste
Janne Vaes: Voor wat betreft de metafoor
We hollen de ruimtelijke planning uit met een overdosis aan metaforen. Begrijp me niet verkeerd: er zit weldegelijk waarde in een goede metafoor. Ruimtelijke planning is immers meer dan voldoende complex om zich hier en daar een goede metafoor te permitteren. Volgens vriend Van Dale betreft het beeldspraak die berust op vergelijking. We zetten de metafoor dankbaar in om complexe plannen en processen te duiden, hun gelaagdheid en chronologie te verhelderen. Dat ze echter dominant aanwezig wordt in het vakjargon, doet me fronsen. Dat we tegenwoordig een metafoor nodig hebben om er een vorige mee uit te leggen, maakt de onzekerheid meetbaar. Plannen stippelen te doorlopen transities uit. Ze verbeelden een toekomst na transformatie. Plannen tonen het opzet. Wat is de meerwaarde van deze speculatief te formuleren? Dat een ruimtelijk planner steeds rekening dient te houden met onzekere factoren, hoeft niet altijd te betekenen dat de gehanteerde taal vaag hoeft te zijn.
Sylvianne Van Butsele, Universiteit Antwerpen: Reaching for the Blue Sky - Sylvianne Van Butsele, Ivo Dewitt, Sven Verbuggen
Elke omgeving waar een ingrijpende verandering van het systeem of van het gedrag noodzakelijk is, kampt met een paradoxaal spanningsveld: handelen op korte termijn op basis van zekere resultaten, zonder dat deze resultaten bijdragen aan lange termijn oplossingen voor complexe problemen vol onzekerheden. Een vernieuwende kijk om dit paradoxaal spanningsveld te ontzenuwen kwam destijds uit de planologische hoek. Rittel, een praktiserend urbanist, poneerde in zijn essay “Dilemma’s in General Theory of Planning” (Rittel, Weber 1973) dat planningsproblemen “Wicked Problems” zijn—problemen die slechts aangepakt kunnen worden als ze erkent worden in hun systemische verwevenheid en de onmogelijkheid om ze te ontleden tot eenduidige, vereenvoudigde deelproblemen. “But then, you may agree that it becomes morally objectionable for the planner to treat a wicked problem as though it were a tame one, or to tame a wicked problem prematurely, or to refuse to recognize the inherent wickedness of social problems.” We zijn bijna 50 jaar later, en kunnen nog steeds uit Rittel’s stellingnames leren. Inmiddels zijn uit de hoek van veranderingsmanagement, ‘systemic leadership’, ‘systemic design’, en ‘design thinking' verdere inzichten ontwikkeld in hoe dergelijke complexe problemen aan te pakken. Naast de inzichten is er de vraag naar welke omgeving effectief ruimte en tijd maakt om duurzame antwoorden op Wicked Problems te ontwikkelen. Een onderzoeksstudio in academische context zou wel eens een van de laatste plekken in de hedendaagse maatschappij kunnen zijn waarin een dergelijke incuberende capaciteit ontwikkeld wordt. Deze paper wil de koppeling maken tussen methodieken rond Wicked Problems en de academische vrijplaats: de onderzoeksstudio. Deze paper wil daarmee nagaan hoe een ontwerper antwoorden kan bieden op de meest uitdagende stedelijke problemen van onze tijd. Hoe een ontwerper door buiten het bestaande systeem te gaan, nieuwe inzichten kan aanreiken en verandering kan introduceren. De paper bespreekt een concreet initiatief om deze aanpak te testen: the Blue Sky Studio.
Wiet Vandaele, ruimtelijk planner Stad Leuven
Michiel Van Damme, Universiteit Gent: Een visionaire overheid – De groene verzekering voor ruimtelijke ordening
Toekomstige transities leiden ongetwijfeld tot een nieuwe invulling van ruimtelijke ordening. De outcome van die transities zijn moeilijk te grijpen, wat onzekerheid teweegbrengt bij zowel de overheid, projectontwikkelaars als burgers die geaffecteerd worden door het ruimtelijk beleid. Deze paper zal daarom een blik werpen op de overheid, die zich anders dient op te stellen, zowel intern als richting betrokken actoren bij ruimtelijke ordening. Zij dient de visie als resultaat van de transitie en het pad daarheen met meer zekerheid te duiden. De paper betreft zowel Nederland als Vlaanderen en bevat een prescriptieve operationalisering van strategieën om zekerheid richting toekomstige resultaten van transities te duiden. Het duiden dat er transities zijn, is reeds voldoende aangekaart, het descriptieve karakter zal daarom vervangen worden door uitvoerbare strategieën die zekerheid verzekeren. Welke strategieën, naar aanleiding van een heldere visie, kunnen beide landen implementeren om ruimtelijke ordening te regisseren in lijn met de komende transities, om zo zekerheid te maximaliseren? Overheden denken teveel op korte termijn, vaak met het doel om zaken snel te realiseren om vervolgens herverkozen te worden. Waar is de lange termijnvisie omtrent ruimtelijke ordening bij de overheid en hoe zorgt ze dat die visie geen loutere droom blijft door een effectief realisatietraject voor die visie, als resultaat van toekomstige transities?
peter vanden abeele, Stad Gent
Geoffrey Vanderstraeten, Departement Omgeving: Het juiste cement. Nieuwe inzichten voor de procesvoering bij complexe omgevingsprojecten
De Vlaamse regering wil met haar Vlaams Regeerakkoord 2019-2024 zekerheid bieden. Ze spreekt de ambitie uit om een gunstig investeringsklimaat te creëren zodat investeringsprojecten sneller en gemakkelijker kunnen worden gerealiseerd. Ze zet in op minder regeldruk, innovatievriendelijke regelgeving, vereenvoudigen, verbeteren en versnellen van procedures en actieve betrokkenheid van burger en middenveld in een vroeg stadium van het proces en de nodige inspraakmogelijkheden gedurende het proces. Deze ambitie is niet nieuw. De rapporten van de commissies Sauwens en Berx uit 2010 kwamen tot gelijkaardige conclusies en waren de aanleiding voor een reeks bijsturingen in het ruimtelijk en milieubeleid. Onder meer het project Vlaamse investeringsprojecten (2012), het decreet complexe projecten (2012) en de invoering van de omgevingsvergunning (2017) beogen vlottere realisaties door een verhoogde inzet op het voortraject en de procedurele vereenvoudigingen. Die zekerheid heeft men volgens Leindfelder (2016) echter vooral gezocht in meer procedures en meer regelgeving. Met een nog verder gejuridificeerde samenleving heeft men de bedoeling gehad voor die meer zekerheid te zorgen. Maar de samenleving is onvoorspelbaar en niet steeds te vatten in meer procedures en regels. Anno 2020 leeft het idee dat we niets meer kunnen bouwen en ontwikkelaars van grote projecten in grote onzekerheid leven. Burgers en ondernemers verenigen zich ook steeds meer buiten de klassieke middenveldorganisaties om en eisen een stem op in de ontwikkeling en inrichting van hun leefomgeving. Ze vragen om meer dan ‘inspraak’ en willen via vormen van cocreatie zelf met ‘vernieuwende’ ideeën aan de slag. Maar ze zijn (al dan niet omringd door advocaten) ook goed in staat met juridisch weerwerk besluitvormingsprocessen te vertragen. Hoe krijgen we in 2020 nog complexe omgevingsprojecten gerealiseerd? Deze paper verkent vanuit recente (bestuurskundige) inzichten nieuwe oplossingsrichtingen voor het verrijken van de beleidsprocessen bij complexe omgevingsprojecten. Het wil zo een stap zetten naar meer ‘zekerheid’ voor complexe omgevingsprojecten. Niet via het ‘betonneren’ in meer regels of procedures, maar door op zoek te gaan naar het ‘juiste cement’ voor de procesvoering.
Eva Van Eenoo, Vrije Universiteit Brussel: De mobiscore: een geschikt instrument om gedragsverandering te sturen?
De lancering van de mobiscore, in juni 2019, leidde tot een verhit debat in Vlaamse kranten en op sociale media. De mobiscore geeft middels een cijfer op 10 een indicatie van de potentiële milieukost van verplaatsingen vanaf een woning: hoe gemakkelijk raak je met de fiets of te voet vanuit een bepaalde buurt naar de dichtstbijzijnde scholen, winkels, openbaar vervoerhaltes en andere voorzieningen? De mobiscore is gericht op mensen die op zoek zijn naar een nieuwe woning en wordt expliciet omschreven als instrument dat kan bijdragen aan gedragsverandering. Deze opiniebijdrage stelt in vraag of de mobiscore die ambitie kan waarmaken. Er liggen namelijk nogal wat veronderstellingen aan de basis die een eerder wankele fundering hebben. De eerste is dat betere informatie tot ‘betere’ burgers zou leiden die ‘beter’ gedrag zullen vertonen. Voorts wordt aangenomen dat mensen bij het kiezen van hun woning zouden streven naar een minimale milieu-impact. Ten slotte is er de eerder impliciete veronderstelling dat de gewenste organisatie van de ruimte de taak is van elk individu afzonderlijk, waardoor de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid afgewenteld dreigt te worden op een imaginaire goed geïnformeerde modelburger met absolute keuzevrijheid. Binnen het mobiliteitsbeleid is overtuigend aangetoond dat het niet de sensibiliserende campagnes zijn die aanzetten tot een overstap naar duurzame modi, maar wel de fysieke ingrepen en een sturend beleid. Meer dan een score die mensen dreigt te culpabiliseren, hebben we nood aan een sterk regulerend ruimtelijk beleid dat streeft naar en bijdraagt aan een onderscheiding voor alle Vlaamse woningen.
Elke Vanempten, ILVO & VUB
Matthijs Vanginneken, Provincie Vlaams-Brabant
Emilie verwimp, Departement Omgeving: Zeker Wonen
Wonen is een basisrecht. De woning is daarom voor de meeste mensen een baken van zekerheid. Maar wat als het tegen zit door ziekte, ouderdom of als je andere ondersteuningsnoden hebt dan de doorsnee bevolking? Deze paper beschrijft nieuwe woonconcepten die mensen meer zekerheid kunnen geven. En het beschrijft hoe het ruimtelijk, zorg- en woonbeleid in Vlaanderen deze evoluties hebben gefaciliteerd. Tot slot nemen we de temperatuur en bekijken we welke knelpunten nog bestaan en hoe deze kunnen worden opgelost.
Vranken Veronique, Provincie Limburg (België): Provincie Limburg verkent 2040 met 4 verbeeldende toekomstscenario’s.
De mogelijke toekomst visualiseren is een krachtige strategie om er beleidsmatig op voor te bereiden of op in te spelen. Daarom heeft de provincie Limburg een toekomstverkenning uitgevoerd via de methodiek van scenarioplanning. Deze methodiek laat toe om heel wat variabele factoren mee in rekening te nemen bij het voorstellen van verschillende mogelijke toekomstbeelden. Het is immers moeilijk om exact te voorspellen hoe de geopolitiek, mobiliteit, bevolking, economie of het klimaat zullen evolueren. Maar zij hebben allen wel een belangrijke impact op hoe we zullen leven en hoe we onze ruimte vormgeven. Het resultaat van deze denkoefening zijn 4 uiteenlopende scenario’s die beschrijven hoe de leefomgeving van Limburg er in 2040 kan uitzien: Transitiestad Limburg, Exploitatiegebied Limburg, Vlaams Toscane en Groeiregio Maas-Rijn. Dit zijn geen wensbeelden en er wordt niet gekozen voor een bepaald scenario. De scenario’s zijn aannemelijk, maar wel wat extreem voorgesteld om het debat te prikkelen. Op het toekomstevent “4keerLimburg2040” (20 juni 2019, Genk), reflecteerden tal van stakeholders aan de hand van 4 animatiefilmpjes over de mogelijke cross-sectorale uitdagingen, kansen of bedreigingen die de scenario’s in zich dragen. De toekomstscenario’s doorbreken ons dagelijks denkpatroon. Ze worden gebruikt als een hulpmiddel om ons voor te bereiden op mogelijke ontwikkelingen richting 2040 en als referentiekader om af te toetsen of beleidsbeslissingen toekomstbestendig zijn. De toekomstverkenning inspireert ons in de opmaak van een ruimtelijk beleidsplan. De paper gaat in op de aanpak, het resultaat, de bruikbaarheid en de aanbevelingen van de toekomstverkenning.
Claire van der Wal, Adviseur Duurzame Leefomgeving, Gemeente Den Haag
Rien van de Wall, Vereniging Deltametropool Rotterdam
Kathleen Van de Werf, gedelegeerd bestuurder BUUR
Marcel Wijermans, Gemeente Den Haag
Emma de Wijs, Beleidsadviseur Gemeente Den Haag
Alexander Woestenburg, TNO
Peter Wolting, projectmedewerker Gebiedsregisseurs DSO, Gemeente Den Haag
Paul Wuillaume, OMGEVING Gent