deelnemers

Totnogtoe hebben 32 personen zich opgegeven, waaronder:
Cateau Albers, PosadMaxwan: Richting geven aan het gewenste toekomstbeeld op de ontwikkeling van Nederland op het schaalniveau van de wijk
Nederland bevindt zich in een kantelperiode: nu en in de komende decennia zal onze leefomgeving grote veranderingen ondergaan als gevolg van transities op het gebied van energie, klimaatadaptatie, mobiliteit, verstedelijking, natuurinclusiviteit en sociaaleconomische verhoudingen. Iedere transitie brengt complexe opgaven met zich mee, die onderling verweven zijn qua tijd én qua ruimte. Een transitie betekent niet per definitie een structurele verbetering richting duurzamere systemen; overheid én samenleving moeten gezamenlijk richting geven aan het gewenste toekomstbeeld op de ontwikkeling van Nederland. Terwijl een bewoner met een integrale blik naar de leefomgeving kijkt, hebben overheden vaak een sectorale blik. De overheid kan transities beïnvloeden en versnellen, maar transities komen vooral op gang in het hart van de samenleving. Aan die veranderdynamiek moet richting gegeven worden, zodat een samenhangend en pragmatisch toekomstbeeld gerealiseerd kan worden: opgaven kunnen niet los worden bezien én het moet leiden tot een samenstelling van gewenste veranderingen (PBL, 2018). De wijk is bij uitstek het schaalniveau waar deze veranderdynamiek zichtbaar wordt. Daar zijn publieke en private stakeholders bij betrokken, die intensief moeten samenwerken en belangen moeten afwegen om transitieopgaven qua tijd en ruimte goed in te passen in de wijk. Uit de praktijk blijkt dat daarbij grote behoefte is aan sturing bij het identificeren van en keuzes maken bij kansen en tegenstrijdige belangen. Deze paper gaat in op handreikingen die vanuit het perspectief van hogere overheden kunnen worden ontwikkeld om stakeholders op wijkniveau te ondersteunen, voortkomend uit het onderzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken naar een integrale, ruimtelijke wijkaanpak.
Hans van den Berg, Departement Omgeving: Een evaluatie van het planbaten-instrument in Vlaanderen
In 2009 werd de planbatenregeling operationeel voor het ganse Vlaamse gewest. Het planbatensysteem is een ruimtelijk beleidsinstrument waarbij aan grondeigenaars een compensatie wordt gevraagd in ruil voor de toename van de waarde van een perceel als gevolg van een bestemmingswijziging door een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP). De heffing bedraagt slechts een beperkt percentage van de werkelijke meerwaarde. Naast een actieve monitoring is men momenteel bezig met een effectiviteitsmeting van het planbatensysteem. Deze meting belicht vooral kwalitatieve aspecten van het beleidsinstrument. In deze paper beperken we ons tot de kwantitatieve aspecten, maar ook enkele mogelijkheden tot optimalisatie van het instrument zullen aan bod komen. Door middel van bijkomende analyse kunnen er nog heel wat inzichten worden verworven over planbaten in relatie tot de ruimtelijke context. Zo wordt in deze paper de verdeling onderzocht van de planbaten per type gebied (kerngebied versus periferie, stedelijk gebied versus open ruimte). De verdeling van de planbaten per type bestemmingswijzigingen en het soort RUPs die tot planbaten leiden wordt eveneens getoetst. We gaan ook in op een aantal bijkomende aspecten. Zo is goede communicatie en een efficiënte rolverdeling essentieel voor een optimaal werkend planbatensysteem. Het is ook de bedoeling om bestaande uitwisselingssystemen verder te optimaliseren en op die manier databases toegankelijker te maken voor alle stakeholders. Dit zal leiden tot meer effectiviteit en een uitbreiding van de mogelijkheden tot monitoring van het instrument.
Helena Bieseman, Departement Omgeving
Ingo Bousema, Rijksuniversiteit Groningen: Sturing geven aan complexe mobiliteitssystemen: een kijk op de rol van adaptief vermogen
De aansturing, of governance, van mobiliteitssystemen vindt plaats in een complexe omgeving: er is sprake van een groot aantal betrokken actoren, sterke onderlinge relaties tussen onderdelen van het systeem en onzekere toekomstige ontwikkelingen. In reactie hierop is er groeiende erkenning voor de noodzaak om adaptief te werk te kunnen gaan in het aansturen van mobiliteitssystemen. Een centraal concept hierin is het adaptief vermogen: Het vermogen van een systeem om zich aan te kunnen passen aan veranderingen. Het creëren van dit vermogen vraagt om veranderingen in gedrag, middelen en technologie. Kennis over het concept is echter gefragmenteerd, wat de operationalisatie ervan belemmert. Hierdoor is het moeilijk om adaptief vermogen in de praktijk te analyseren en lessen te verzamelen om het vermogen te vergroten. In dit paper wordt een literatuurstudie gepresenteerd waarin bestaande adaptieve sturingsbenaderingen met elkaar vergeleken worden. Aan de hand hiervan wordt een raamwerk voorgesteld om het adaptief vermogen van initiatieven in de praktijk te analyseren. Dit raamwerk stelt ons in staat om huidige initiatieven ten behoeve van adaptief vermogen te evalueren. Daarnaast kan het gebruikt worden om adaptief vermogen te vergelijken op verschillende momenten in de tijd of tussen verschillende governance systemen. Bovendien maakt het overzichtelijk waarin geïnvesteerd moet worden om adaptief vermogen te stimuleren.
Lia van den Broek, PBL: Samen experimenteren in de regio
De Nederlandse overheid heeft onlangs het concept van ‘interbestuurlijk samenwerken’ geïntroduceerd in een nationaal Interbestuurlijk Programma (IBP). Het IBP is gebaseerd op twee noties: het erkent dat duurzaamheidstransities in de eerste plaats een kwestie van gedecentraliseerde planning zijn, en substantiële actie moet komen van de lokale en regionale planningsniveaus. Ten tweede vereisen complexe maatschappelijke uitdagingen een gedeeld probleemeigenaarschap – niet alleen binnen een regionale of lokale gemeenschap, maar ook tussen de verschillende niveaus en overheidssectoren. De belangrijkste ambitie van het IBP is om ‘als één overheid’ te handelen en een beleidsarena te creëren waarin regionale initiatieven floreren en van elkaar leren. Met dit idee in het achterhoofd, wordt de IBP-aanpak toegepast in een nationale programmaopgave ‘Naar een Vitaal Platteland’ dat duurzame innovatie op het gebied van landbouw, voedsel, biodiversiteit, water en leefbaarheid in 15 Nederlandse plattelandsgebieden bevordert. Hoewel het IBP wordt beschouwd als een belangrijk instrument om ‘verandering’ in de respectieve regio’s te bereiken, is de precieze manier waarop ‘goede samenwerking’ in de praktijk tot stand moet komen nog vrij onduidelijk. Interbestuurlijk samenwerking lijkt een paradox tussen leren, experimenteren, toestaan om te falen en het bereiken van ‘resultaten’ in een resultaatgerichte politieke cultuur. Deze bijdrage wil de IBP-benadering conceptualiseren op basis van drie governance concepten in wetenschappelijke literatuur: participatief bestuur, regionaal bestuur en experimenteel bestuur. Samen met ervaringen uit de praktijk van het programma Vitaal Platteland, zullen we nadenken over de rol van de centrale overheid in regionale ontwikkelingsprocessen en eerste lessen trekken uit de implementatie van de ‘interbestuurlijk samenwerken’.
Sophie De Mulder, Departement Omgeving: De verrassende zekerheid van ruimtelijke voorwaarden voor bedrijven: een eerste aanzet van een ondersteunende beleidstool Jan Zaman, Inge Pennincx, Sophie De Mulder
Economische activiteiten vind je overal in Vlaanderen: niet alleen op bedrijventerreinen, maar ook in woonomgevingen en in het buitengebied. Een belangrijk inzicht binnen het ruimtelijk-economisch beleid is dat de locatiekeuze van een bedrijf vaak niet de eerste bekommernis is voor een bedrijf. Ruimtelijk-economisch beleid verenigt bedrijfsvragen en andere maatschappelijke vragen in de ruimte. Om dat beleid vorm te geven, is het van belang om in te schatten wanneer en hoe ingrepen mogelijk zijn. Sinds 2015 voert Departement Omgeving onderzoek naar economische locaties. Om te begrijpen hoe economie en ruimte interageren, vertrekken we van de microschaal (het bedrijf op een bepaalde plaats). Achter de locatie van een bedrijf schuilt een bepaalde individuele afweging, die deel uitmaakt van de bedrijfslogica. Doorheen de jaren hebben literatuur, observaties op het terrein via een terreininventarisatie van 37.558 ha, gesprekken met bedrijven, ontwerpend onderzoek,… informatie opgeleverd over vestigingsplaatsfactoren in de vorm van ‘stated’ en ‘perceived preferences’. Hieruit komen ruimtelijke parameters die overeenkomen met vraag van bedrijven op niveau van een gebied (nabijheid markt, noden i.v.m. vrachttransport,…). De verwerking van de terreininventarisatie naar economische gebiedstypes en koppeling aan relevante gebiedskenmerken (zichtbaarheid, passage voetgangers,…) levert 24 ‘ideaaltypische’ gebieden (of segmenten) op. Met dit rijk onderzoeksmateriaal kunnen we het beleid ondersteunen om ruimtelijke afwegingen te maken: (1) heeft een gebied de juiste ruimtelijke kenmerken voor de bedrijven die zich daarin bevinden en (2) als we het gebied transformeren van het ene segment naar het andere, wat betekent dit voor de huidige bedrijven? Beslissingsbomen als afwegingsmanier staan centraal.
Jan Denoo, Endeavour: The Quest for Uncertainty. Decolonizing the Future in Urban Planning.
Uncertainty can be seen as the raison d’être of planning. Coping with uncertainty lies at the heart of planning practice. Given that uncertainty is a social construct and shapes the means and ends of planning, the discourses that construct its often-naturalized representation beg critical scrutiny. As a contribution to address this research gap, this work aims to uncover in what ways the representation of uncertainty shapes post-WWII urban planning in the Global North. As a critical and extreme case, the planning history of Brussels’ Northern Quarter is analyzed using Critical Discourse Analysis on data gathered through 20 months of ethnography, desk and literature research and 37 interviews, focus groups and debates with key public, private and civic actors. Combining a phased and transhistorical analysis of post-WWII planning history, time-specific variety as well as transhistorical similarity validate a recurring threefold pattern – (i) a ‘common good crisis’ (ii) that legitimizes a ‘new mode of planning’ and (iii) fixes masked economic uncertainties while reproducing power structures through the production of space. This research provides two major contributions. First, this work recenters uncertainty and its social construction as a crucial arena in shaping urban planning. Concealing or uncovering this arena is framed as essential to colonizing and ‘decolonizing’ the future in urban planning. Second, nearly a century after John Dewey’s ‘The Quest for Certainty’ (1929), this research opens up new avenues for theoretical and practical engagements with its antipode to contest ever-new means that mask ever-old ends of planning post-political urbanities.
Tim Devos, Endeavour / UGent: Scenario-denken in de praktijk: krachtig interdisciplinair instrument of aanleiding tot semantische verwarring
Een welbekend credo in ons vakgebied is dat ruimtelijke planning steeds draait om het omgaan met onzekerheid: het ontwikkelen van instrumenten, werkwijzes en verhalen om een onzekere toekomst in te schatten, te verbeelden en pro-actief te kneden. In de praktijk zien we dat er vaak wordt ingezet op het ontwikkelen van ruimtelijke scenario’s als een instrument om op een exploratieve manier met deze onzekerheid om te gaan en uiteenlopende toekomstbeelden te ‘testen’ en evalueren. In het bijzonder kunnen scenario’s een krachtige rol vervullen in het opzetten van een interdisciplinaire dialoog, zowel onder ruimtelijke professionals en overheden als met de burger of andere betrokken stakeholders. De keerzijde van de medaille is echter dat het begrip scenario wel erg rekbaar is, met een enorme veelheid aan mogelijke interpretaties tot gevolg. Wanneer binnen een planningsproces niet haarscherp wordt gesteld wat er precies mee bedoeld wordt en tot welk doel scenario-denken wordt ingezet, kan deze aanpak te pas en te onpas ook semantische verwarringen doen ontstaan met vaak onverwachte gevolgen, zij het in positieve of negatieve zin. In deze bijdrage willen we aan de hand van een aantal concrete Vlaamse cases aantonen hoe scenario-denken enerzijds op erg diverse manieren strategisch kan worden ingezet in complexe processen waarbij veel stakeholders en respectievelijke disciplines betrokken zijn, maar willen we anderzijds problematiseren hoe uiteenlopende interpretaties van de term vaak leiden tot miscommunicatie.
Julian Gelens, Gemeente Breda: Woningnood of planningscrisis?!
In de media verschijnen wekelijks artikelen dat er te weinig huizen worden gebouwd. Hierbij wordt echter vergeten dat de woningbouwprogrammering pas twee jaar geleden is verhoogd. Het bouwen van een woning kost minimaal een jaar, als je al een bouwvergunning hebt. Daarbij kost het planvormingstraject gemiddeld 8 jaar. Zonder hier bij het versnellen van de woningbouw rekening mee te houden, is het makkelijk klagen. Er wordt zelfs gesproken over een nationale woningnood en dat alle partijen erbij inschieten, maar wie heeft er nu echt een probleem? Mensen met een koopwoning hebben hierdoor meer vermogen en zien dit alleen maar groeien. Dit in contrast met mensen in de huursector. Starters komen lastig aan bod op de woningmarkt en zijn gedwongen duur te huren. Deze tweedeling wordt alsmaar groter. Planologische vraagstukken vereisen oplossingen met een tijdbestek korter dan 8 jaar. De complexiteit en wijze waarop wordt gewerkt, maakt dat er weerstand wordt gecreëerd die innovaties en creativiteit in de weg staan. De inzet is vooral gericht op (versnelde) realisatie met gebruik van bekende oplossingen om het woningtekort in te lopen. Daardoor is het moeilijk om verandering te bewerkstelligen. In de huidige context moet een 10-jarige weten hoe hij zijn of haar woonsituatie ziet over 8 jaar en daarvoor nu al sparen. De praktijk leert dat jongeren hier (nog) helemaal niet mee bezig zijn, iets wat niet vreemd is. Terwijl een groeiende groep 80-jarigen waarschijnlijk dagelijks met de woonsituatie bezig is, omdat er geen passend woningaanbod is. Kortom verschillende problematieken voor uiteenlopende doelgroepen.
Hannelore Goyens: Een nieuwe (mobiliteits)cultuur door de ogen van de jonge generatie
‘Hoe voeden we de jonge generatie op in een tijd waarin niets meer zeker is?’ Deze vraag nam filosofe Daan Roovers recent nog onder de loep in haar essay ‘Mensen maken’. Met Rousseau, Kant en Arendt als voorbeeld plaatst Daan opvoeden in een nieuw en hedendaags licht. Ze stelt dat we kinderen het best opvoeden tot mens door één blik te richten op het kind en één blik op de wereld. Sterker nog, door menswording te koppelen aan oriëntatievermogen – Daan omschrijft dit als Bildung – zijn we in staat om te leven in ‘de wereld van morgen’. Een wankel vertrouwen tekent ‘de wereld van vandaag’. Mensen trekken zich liever terug in de privésfeer in plaats van verantwoordelijkheid op te nemen voor de wereld. Dit maakt ons als mens, maar vooral als samenleving zeer onzeker en kwetsbaar. De samenleving heeft vandaag nood aan een opvoedkundige cultuur die het lokale netwerk overstijgt en vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid – Arendt noemt dit ook wel ‘amor mundi’ – verbindt met het onbekende, namelijk ‘de wereld van morgen’. Vanuit het complex project ‘Noord-Zuid Limburg’ bouwen we samen met de brede bevolking zo’n infrastructuur gericht op vertrouwen. Dit noemen we het NZL-platform. Van hieruit groeien projecten o.a. met verschillende secundaire en lagere scholen in Houthalen-Helchteren. Omdat een fietscultuur te weinig aanwezig is, bouwen de leerlingen samen vertrouwde speellandschappen en veilige (school)routes. Zo geven ze geleidelijk vorm aan een nieuwe (mobiliteits)cultuur.
Maarten Grotholt, Sweco: Ontwikkelingen van de gebouwde omgeving: elementen van onduurzaamheid
De ontwikkeling van de gebouwde omgeving in Nederland staat onder druk. Met een tekort van 157.000 woningen moet er in hoog tempo worden gebouwd. Echter, dit gebeurt in het speelveld van vele transities als de energietransitie, klimaatverandering, slimme mobiliteit en circulaire economie. Transities zijn complex en gaan gepaard met hoge mate van onzekerheid. Het betreft een fundamentele verandering in denken en doen. Men weet dat het anders moet, maar wat precies en hoe de gewenste situatie er exact uitziet is onduidelijk. Maatschappelijke systemen ontwikkelen zich tot een optimum, ook wel ‘regime’ genoemd. In het regime is er sprake van een dominante manier van werken, organiseren en denken. Dit is voordeling voor samenleving aangezien stabiliteit goed is. De flipside is dat er sprake is van padafhankelijkheid is; er is zoveel geïnvesteerd en zoveel afhankelijk van een sector dat het moeilijk is dit te veranderen . Ook als we weten dat het eigenlijk anders kan en moet, zoals met duurzaamheid in de gebouwde omgeving. Om te begrijpen hoe we onze weg uit deze onduurzame praktijken in de gebouwde omgeving kunnen plannen moeten we begrijpen welke principes bijdragen aan de huidige manier van denken en doen. In een bijdrage reflecteren we op elementen van de dominante structuur, cultuur en werkwijzen; welke onhoudbaar zijn geworden en hoe dit er idealiter uitziet.
Jonas, Endeavour: Lessen uit een belevingsonderzoek: Waarachtige verhalen verbeelden de zekerheden van compact wonen
In de planning en stedenbouw staat in Vlaanderen de ruimtelijke professional voor een compacte stedenbouw en een georganiseerde planning en dat is al decennia zo. De intentie is telkens goed en er worden prima plannen voorbereid. Maar eens de planner die plannen voorlegt aan publiek en politiek, wordt het moeilijk. Met de globale doelstellingen, vb. de open ruimte beschermen zijn veel mensen het wel eens. De boodschap dat dit ook moet leiden tot dichter wonen (Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen) of wonen op plaatsen met veel voorzieningen en openbaar vervoer (strategische visie voor het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen) brengt een scherp gepolariseerd debat op gang. In het debat horen we vooral mensen die op zijn minst onzeker zijn over dergelijke toekomst en er mogelijk vanuit gaan dat ze zullen ‘verliezen’. Dit toekomstbeeld staat dus schijnbaar ver van de actuele realiteit, hoewel er veel mensen wonen op een manier dat wel aan dit toekomstbeeld tegemoetkomt. Gedragswetenschappen en theorie rond gedragsverandering kunnen ons helpen als ruimtelijk professional beter om te gaan met dergelijke gevoelens van onzekerheid. Belevingsonderzoek rond wonen levert inzicht in wat mensen belangrijk vinden in hun woon- en leefomgeving. Het is belangrijk om daar als ruimtelijk professional mee aan de slag te gaan bij het produceren van woningen en door er op de juiste manier en op het juiste moment over te communiceren. In deze paper komen resultaten uit het recent opgeleverd ‘Belevingsonderzoek Compact Wonen van Endeavour, Urban Connector en Ovum Novum Perplexicorum, in opdracht van het Vlaams Planbureau voor Omgeving’ aan bod.
Griet Juwet, Vrije Universiteit Brussel: De energietransitie: hefboom voor fundamentele ruimtelijke en sociale verandering of business as usual?
De transitie naar een duurzaam energiesysteem is een complex proces waarin heel wat factoren onzekerheid creëren voor lokale overheden, ondernemers en burgers. Regionale ruimtelijke energievisies of lokale warmtezoneringsplannen formuleren een lange termijnskader dat een gedeeld perspectief kan bieden voor al deze actoren. Toch blijft lokale energieplanning geconfronteerd met verschillende vormen van onzekerheid, zoals de moeilijke inschatting van het toekomstige potentieel van verschillende technologieën, de onzekere beleidscontext op Vlaams niveau door het discontinue energiebeleid, de onduidelijkheden over de implementatie van het Beleidsplan Ruimte en de bouwshift, en de nodige verankering en implementatie van regionale energieplannen via Ruimtelijke Ordeningsinstrumenten. Ondanks, of misschien net omwille van, deze onzekere context, klinkt de roep naar concrete oplossingen voor de energietransitie alsmaar luider nu de urgentie van de klimaatproblematiek niet meer te ontkennen is. Daarmee komt tegelijk een spanning naar boven tussen de vraag naar doelgerichte actie enerzijds, en de nood aan een fundamentele verandering van de ruimtelijke en sociale organisatie van het energiesysteem anderzijds. Kan de introductie van duurzame energie-infrastructuur een hefboom zijn om ruimtelijke structuren te verduurzamen, en de energiesector democratischer te organiseren? Of leidt de klimaaturgentie tot technologische oplossingen en ‘business as usual’? Kost het inzetten op alternatieve organisatiemodellen en duurzame ruimtelijke ontwikkeling kostbare extra tijd, of kan het net de energietransitie ondersteunen en versnellen? Vanuit observatie-onderzoek bij twee regionale energievisietrajecten in de regio’s Leiedal en Waasland, verkent deze paper of en op welke manier ruimtelijke planning kan bijdragen tot het in vraag stellen van onefficiënte verstedelijkingspatronen en bestaande machtsverhoudingen in de energiesector.
Monique van Kempen, Provincie Noord-Brabant: Een zeker collectief
2018 verscheen de Reisgids ‘Op weg naar klimaatrobuuste Beeklandschappen’. Hierin werd vanuit verschillende invalshoeken (diep, breed en rond) naar de beeksystemen Aa of Weerijs, Warmbeek-Tongelreep en Aa gekeken. Het gedachtegoed van de reisgids landde in de opgave ‘klimaatproof Brabant’ van de Brabantse Omgevingsvisie. De casussen uit de reisgids hebben sindsdien een doorstart gemaakt. Hoewel geen van de casussen hetzelfde is qua inhoud of proces, volgt uit alle drie wel steeds dezelfde vraag: Hoe wegen we af hoe er concreet uitwerking gegeven wordt aan de in het gebied samenvallende opgaven met ruimtelijke doorwerking? Het ‘klimaatproof’ voor natte natuur ziet er namelijk wezenlijk anders uit dan het ‘klimaatproof’ voor akkerlanden. In het Brabants mozaïek komen ze pal naast elkaar voor. Voor welke functie kiezen we in de ontwikkeling naar klimaatrobuuste beeklandschappen? Hoe voorkomen we willekeur in de gebiedsgerichte aanpak en hoe creëren we meerwaarde? In dit artikel volgt een verkenning naar de principes van salderen en compenseren zoals die in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving staan ten bate van het waarborgen van kwaliteit van de fysieke leefomgeving met daarbij ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. De verkenning volgt de Brabantse Omgevingsvisie in haar lagenbenadering die stelt dat het bodem-water systeem een belangrijke drager is voor de maatschappelijke, ecologische en economische kwaliteiten van het landschap. Dit bodem-watersysteem is enkel gebonden aan haar eigen systeemgrenzen. De inrichting van klimaatrobuuste beeklandschappen middels dergelijke principes kan daarom alleen slagen door een brede participatie die voorbij gaat aan door mensen bedachte grenzen.
Hans Leinfelder, KU Leuven-Faculteit/Departement Architectuur: Er is geen zekerheid, behalve deze Saey-e!
Vijfentwintig jaar geleden brak professor Piet Saey van de Universiteit Gent meermaals zijn hoofd over het credo van ruimtelijke planners om de samenleving te kneden naar hun deskundige inzichten. In twee doorwrochte artikels uit 1995 in het tijdschrift ‘Planologisch Nieuws’ en een terugblikkend artikel uit 2005 in de opvolger ‘Ruimte en Planning’ toont hij aan hoe planners zich, door zichzelf wetenschappelijke objectiviteit of ontwerpdeskundigheid toe te meten, trachten te verheffen boven de onzekerheden in de samenleving. Ook ontrafelt hij meticuleus hoe planners, toch geconfronteerd met de complexiteit van de samenleving, de eigenlijke inhoudelijke aspiraties van de ruimtelijke planning – het streven naar een kwalitatieve ruimtelijke ontwikkeling – graag verruilen voor de zekerheid van de hen meer vertrouwde, eerder procedureel-technische mechanismen. Wat hij ‘doelverplaatsing’ noemt, blijkt zoveel jaar later nog steeds toepasbaar op de genese van het Nederlands en Vlaams omgevingsbeleid. In mijn paper ga ik daarom over de zekerheden en onzekerheden van de plannerswereld met betrekking tot het jonge omgevingsbeleid in dialoog met Piet Saey. Citaten uit de genoemde artikels vormen het aankopingspunt om aan te tonen hoe treffend zijn observaties, daterend uit en gebaseerd op een vorige plannersgeneratie, nog zijn. Het verplicht mij ook te motiveren waarom ik mijn studenten ook vandaag nog steeds verplicht om zich deze artikels te zwoegen in het kader van de cursus planningstheorie.
Isabelle Loris, Vlaamse Overheid - departement Omgeving: Woningmarktarena’s. Hoe, met wie en waar in overleg treden om ruimtelijke doelen te realiseren?
De paper presenteert het concept van een ‘woningmarktarena’, dat een alternatief biedt voor het begrip ‘woningmarkt’ of ‘woonregio’. Dit laatste blijkt problematisch in de praktijk van het woonbeleid, omdat het gebaseerd is op definieerbare en goed afgebakende geografische contouren. Daarom blijft het lopende debat over “welk schaalniveau het beste is” het debat voeden, terwijl de dynamiek op de woningmarkt vele malen complexer en meervoudig is dan bij een structuralistische geografische benadering. Het concept ‘arena’ lijkt in dit opzicht geschikter, omdat het beter omgaat met de meervoudige dynamiek en het gedrag van actoren, die een belangrijke rol spelen op de woningmarkt. Daarbij laat de paper ook zien hoe geografische en actor-relationele onderzoeksmethoden kunnen worden gecombineerd, om een vollediger beeld te geven van een probleem dat behoefte heeft aan concrete hulpmiddelen in woonbeleid en ruimtelijk beleid.
Ann Pisman, departement Omgeving: Bieden scenario’s zekerheid in een onzekere toekomst? Hoe het departement Omgeving de afgelopen jaren experimenteerde met scenariodenken.
De PlanDag 2020 heeft als thema “nieuwe zekerheid”. De afgelopen jaren werden diverse strategieën ontwikkeld die helpen bij het omgaan met onzekerheden in de toekomst. Scenario-denken is één van die strategieën. Via de ontwikkeling van scenario’s worden mogelijke toekomsten verbeeld en worden de complexiteit en onzekerheden waarmee het beleid, gericht op de fysieke leefomgeving, te maken heeft verkend en geëxpliciteerd. Binnen het departement Omgeving is er enige ervaring met scenario-oefeningen, vaak gesitueerd in een voorbereidend traject naar het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, klimaat- of luchtbeleidsplan. Verder werden in tal van onderzoeksprojecten scenario’s ontwikkeld in relatie tot specifieke thematieken of beleids- of onderzoeksvragen, zoals de betaalbaarheid van de betonstop of de kost van urban sprawl. Ook buiten het beleidsdomein zijn er interessante projecten uitgevoerd of lopende. Zo startte het Departement Mobiliteit en Openbare Werken een scenario-oefening in 2019. In Nederland werden onder meer de twee referentiescenario’s “Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving” ontwikkeld. In deze paper zullen de belangrijkste resultaten uit voorgaande scenario-oefeningen door het departement Omgeving worden toegelicht, onderscheid makend tussen context- en beleidsscenario’s. Uit de diverse oefeningen valt veel te leren. Het ontwikkelen van scenario’s vraagt een open mindset om los te komen van het heden. Het analysewerk heeft geresulteerd in een grote diversiteit, “wildgroei”, aan scenario’s. Dit is enerzijds verrijkend, maar brengt ook nadelen met zich mee op vlak van duidelijkheid, communiceerbaarheid, werklast en vergelijkbaarheid. Tenslotte staan we stil bij de mate waarin deze scenario’s effectief tot nieuwe inzichten of tot nieuw beleid hebben geleid.
Marc Rijnveld, Public Mediation: Verlamd door onvoorspelbaarheid
Situaties met een grote mate van onzekerheid en veel betrokken partijen leiden vaak tot een verlamming een impasse van besluitvorming. In onze praktijk van conflictbemiddeling blijkt dat beleidsmakers zich eigenlijk meer zorgen maken over de onvoorspelbaarheid van het gedrag van andere partijen, dan over onzekerheid over de toekomst. Dat speelt bijvoorbeeld in een stedelijk havengebied waar het stadsbestuur en het havenbedrijf onzeker zijn over de toekomstige samenwerking. Onder politieke druk werd gezocht naar de perfecte oplossing met heldere doelen en voorspelbare gebiedsontwikkeling, terwijl de praktijk onzeker was, beleidsdoelen tegenstrijdig en de gevolgen van beleidsacties niet te overzien. In onze paper gaan we in op de aard van onzekerheid en onvoorspelbaarheid in de ruimtelijke ontwikkeling van het stedelijk havengebied van Amsterdam. Daar leidde het herontwikkelen van een oud-haventerrein tot een diepe crisis, want: wat betekent dat voor de toekomst van de haven en de stad? Het hoofd bieden aan onzekerheid is geen cognitieve exercitie gericht op het krijgen van meer informatie, maar gebaseerd op gezamenlijk (reflectief) onderzoek en experimentele actie (Dewey, 1929). We laten zien hoe wederzijdse reflectie op de aannames en overtuigingen van partijen (cf Schön e.a. 1995) bijdraagt aan het vergroten van het vertrouwen in elkaar. Daarmee is in de praktijk de basis gelegd voor een gezamenlijk handelingsperspectief in een onzekere situatie (Schön, 1973). M.a.w. het eindbeeld van de haven-stadontwikkeling is nog vaag, maar partijen kunnen op elkaar rekenen.
Jan Schreurs, KU Leuven: Wanneer onzekerheid ‘productieve onzekerheid’ wordt
Ruimteplanning en onzekerheid zijn innig met elkaar verbonden. De belangrijkste factoren daarbij zijn disparate wensen en verwachtingen van stakeholders, de onmogelijkheid om exact in te schatten welke effecten geplande maatregelen zullen teweegbrengen, en de onkenbare toekomstige context waarmee de realisaties zullen interageren. Veel stadsvernieuwings en -ontwikkelingsprojecten moeten met combinaties van dergelijke onzekerheden omgaan. Meervoudige onzekerheid kan echter zeer productief zijn. De paper focust op een instrument van het Vlaams Stedenbeleid, de ‘conceptsubsidie’. Meer en meer steden zetten dit in om transformatieve kaders te ontwerpen die onderbepaalde of chaotische situaties kunnen uitklaren, benoemen en transformeren. Met die conceptsubsidie engageren stadsbesturen een multi-disciplinair team om samen met het regieteam van het Vlaams Stedenbeleid en het stedelijk beleid een prospectief experimenterend proces te doorlopen. Dergelijk team zet in op kritische analyse en co-creatieve visievorming omtrent integrale duurzame ontwikkeling (ruimtelijk, sociaal-economisch, milieu). Het proces van concept-ontwikkeling beoogt zowel het lokaal aanmaken van nieuwe stedelijkheid als het zoeken naar opschaalbare benaderingen. De ‘zekerheid’ nodig om dergelijke onderneming aan te gaan wordt geproduceerd in een collectieve leerproces. De subsidie en de begeleidende ondersteuning faciliteren intensieve kennisuitwisseling tussen relevante stakeholders. De paper analyseert aan de hand van enkele dergelijke co-creatieve trajecten hoe processen en de resulterende concepten structureel bijdragen tot een productief collectief leerproces. Innovatieve framing, transdisciplinaire kennisontwikkeling, verankering in stedelijke praktijkgemeenschappen, lokale capaciteitsopbouw, en verbindingen met andere processen, worden geduid als sleutelfactoren en voorwaarden voor daadwerkelijke implementatie. Jan Schreurs, Marc Martens
Vidar Stevens, Mulier Instituut: Ruimtelijke sport- en recreatiekeuzes maken in lokale Omgevingsvisies
In Nederland is de visievorming rondom de lokale Omgevingsvisies in volle gang. In veel gemeenten vinden er momenteel participatietrajecten plaats waarbij ambtenaren en politici samen met maatschappelijke organisaties, bewoners, ondernemers, en verenigingen hun hoofd buigen over ruimtelijke keuzes in hun gemeente voor de komende 10 à 20 jaar. In deze visieplannen worden keuzes gemaakt en een richting bepaald voor de lokale fysieke leefomgeving. Tot op heden hebben verschillende auteurs gekeken naar de consequenties van de nieuwe lokale Omgevingsvisies op beleidsonderwerpen zoals energietransitie, verduurzaming van de leefomgeving, waterbeheer en hittestress. Voor minder ‘vanzelfsprekende’ ruimtelijke ontwikkelingsthema’s, zoals sport en recreatie, liggen er echter ook kansen om de lokale, fysieke leefomgeving beweegvriendelijker te maken. Dit artikel voert een meta-analyse uit, en bekijkt hoe binnen 25 omgevingsvisies lokale overheden keuzes maken om sport en bewegen een plek te geven binnen de leefomgeving van de gemeente. Hiervoor gebruiken wij zowel kwantitatieve- en kwalitatieve onderzoekmethoden. Op deze manier willen wij inzichtelijk maken hoe gemeenten het sport- en recreatiebeleid inbedden in de ruimtelijke transitie van de nieuwe Omgevingswet. Ons doel is om sportambtenaren te informeren wat er met de komst van deze wet verandert, hoe zij met de onzekerheid van lange-termijn beleidsvorming om kunnen gaan, en waar binnen lokale Omgevingsvisies aanknopingspunten voor hun werk liggen.
Sylvianne Van Butsele, Universiteit Antwerpen: Reaching for the Blue Sky - Sylvianne Van Butsele, Ivo Dewitt, Sven Verbuggen
Elke omgeving waar een ingrijpende verandering van het systeem of van het gedrag noodzakelijk is, kampt met een paradoxaal spanningsveld: handelen op korte termijn op basis van zekere resultaten, zonder dat deze resultaten bijdragen aan lange termijn oplossingen voor complexe problemen vol onzekerheden. Een vernieuwende kijk om dit paradoxaal spanningsveld te ontzenuwen kwam destijds uit de planologische hoek. Rittel, een praktiserend urbanist, poneerde in zijn essay “Dilemma’s in General Theory of Planning” (Rittel, Weber 1973) dat planningsproblemen “Wicked Problems” zijn—problemen die slechts aangepakt kunnen worden als ze erkent worden in hun systemische verwevenheid en de onmogelijkheid om ze te ontleden tot eenduidige, vereenvoudigde deelproblemen. “But then, you may agree that it becomes morally objectionable for the planner to treat a wicked problem as though it were a tame one, or to tame a wicked problem prematurely, or to refuse to recognize the inherent wickedness of social problems.” We zijn bijna 50 jaar later, en kunnen nog steeds uit Rittel’s stellingnames leren. Inmiddels zijn uit de hoek van veranderingsmanagement, ‘systemic leadership’, ‘systemic design’, en ‘design thinking' verdere inzichten ontwikkeld in hoe dergelijke complexe problemen aan te pakken. Naast de inzichten is er de vraag naar welke omgeving effectief ruimte en tijd maakt om duurzame antwoorden op Wicked Problems te ontwikkelen. Een onderzoeksstudio in academische context zou wel eens een van de laatste plekken in de hedendaagse maatschappij kunnen zijn waarin een dergelijke incuberende capaciteit ontwikkeld wordt. Deze paper wil de koppeling maken tussen methodieken rond Wicked Problems en de academische vrijplaats: de onderzoeksstudio. Deze paper wil daarmee nagaan hoe een ontwerper antwoorden kan bieden op de meest uitdagende stedelijke problemen van onze tijd. Hoe een ontwerper door buiten het bestaande systeem te gaan, nieuwe inzichten kan aanreiken en verandering kan introduceren. De paper bespreekt een concreet initiatief om deze aanpak te testen: the Blue Sky Studio.
peter vanden abeele, Stad Gent: Ook dat had ik je kunnen voorspellen (werktitel!)
Stad maken schippert vandaag ongemakkelijk tussen twee uitersten, tussen een maakbaarheidsideaal van planners, ontwerpers en beleidsmakers en de complexiteit van het stedelijke veld. We willen gewoon goede project bedenken en realiseren maar moeten dat vandaag doen in een context van stedelijke wicked problems. De zekerheid die menig ruimtelijk kader ons leek te bieden blijkt niet opgewassen meer tegen de onzekerheid die een heel aantal evoluties teweegbrengt, hoewel deze evoluties vreemd genoeg zelf wel sterk genesteld geraakt zijn in eigen zekerheden. Zo lijkt geïnstitutionaliseerde onzekerheid wel die nieuwe zekerheid geworden. Hoe geraakt een project nog gerealiseerd op dergelijk drijfzand? Nieuwe stedelijke uitdagingen vragen om brede expertise, vaak verkokerd en niet weinig leidend tot veelheid aan onderzoeken, kaders en aftoetsingen. Het maatschappelijke veld vraagt dan weer dat we een diversiteit aan stemmen en meningen aan het woord te laten. Maar wat bedoeld was als een verrijking én onderbouwing van het plan -om zeker te zijn, weet u wel- blijkt vandaag menig visie of project in onzekerheid te storten. De enige zekerheid lijkt nog dat nagenoeg elk ruimtelijk initiatief geconfronteerd wordt met sterk uiteenlopende meningen, tegenstrijdige beslissingen, blokkerende adviezen en finaal met juridische stappen, van bezwaarschriften tot beroepsprocedures. Daar staan we vandaag. (Rechts)zekerheid is een doodlopende weg. Tijd voor nieuwe attitudes die ons meer zekerheid bieden op gewenste en mogelijke ontwikkelingen. Het is terug nodig dat we weten waar we aan toe zijn als we stad willen maken, ongeacht wie de initiatiefnemer is. Deze paper schuift in enkele voorstellen ‘voorspelbaarheid’ naar voor als insteek om terug op vaste grond te stoten om projecten op te realiseren.
Geoffrey Vanderstraeten, Departement Omgeving: Het juiste cement. Nieuwe inzichten voor de procesvoering bij complexe omgevingsprojecten
De Vlaamse regering wil met haar Vlaams Regeerakkoord 2019-2024 zekerheid bieden. Ze spreekt de ambitie uit om een gunstig investeringsklimaat te creëren zodat investeringsprojecten sneller en gemakkelijker kunnen worden gerealiseerd. Ze zet in op minder regeldruk, innovatievriendelijke regelgeving, vereenvoudigen, verbeteren en versnellen van procedures en actieve betrokkenheid van burger en middenveld in een vroeg stadium van het proces en de nodige inspraakmogelijkheden gedurende het proces. Deze ambitie is niet nieuw. De rapporten van de commissies Sauwens en Berx uit 2010 kwamen tot gelijkaardige conclusies en waren de aanleiding voor een reeks bijsturingen in het ruimtelijk en milieubeleid. Onder meer het project Vlaamse investeringsprojecten (2012), het decreet complexe projecten (2012) en de invoering van de omgevingsvergunning (2017) beogen vlottere realisaties door een verhoogde inzet op het voortraject en de procedurele vereenvoudigingen. Die zekerheid heeft men volgens Leindfelder (2016) echter vooral gezocht in meer procedures en meer regelgeving. Met een nog verder gejuridificeerde samenleving heeft men de bedoeling gehad voor die meer zekerheid te zorgen. Maar de samenleving is onvoorspelbaar en niet steeds te vatten in meer procedures en regels. Anno 2020 leeft het idee dat we niets meer kunnen bouwen en ontwikkelaars van grote projecten in grote onzekerheid leven. Burgers en ondernemers verenigen zich ook steeds meer buiten de klassieke middenveldorganisaties om en eisen een stem op in de ontwikkeling en inrichting van hun leefomgeving. Ze vragen om meer dan ‘inspraak’ en willen via vormen van cocreatie zelf met ‘vernieuwende’ ideeën aan de slag. Maar ze zijn (al dan niet omringd door advocaten) ook goed in staat met juridisch weerwerk besluitvormingsprocessen te vertragen. Hoe krijgen we in 2020 nog complexe omgevingsprojecten gerealiseerd? Deze paper verkent vanuit recente (bestuurskundige) inzichten nieuwe oplossingsrichtingen voor het verrijken van de beleidsprocessen bij complexe omgevingsprojecten. Het wil zo een stap zetten naar meer ‘zekerheid’ voor complexe omgevingsprojecten. Niet via het ‘betonneren’ in meer regels of procedures, maar door op zoek te gaan naar het ‘juiste cement’ voor de procesvoering.
Eva Van Eenoo, Vrije Universiteit Brussel: De mobiscore: een geschikt instrument om gedragsverandering te sturen?
De lancering van de mobiscore, in juni 2019, leidde tot een verhit debat in Vlaamse kranten en op sociale media. De mobiscore geeft middels een cijfer op 10 een indicatie van de potentiële milieukost van verplaatsingen vanaf een woning: hoe gemakkelijk raak je met de fiets of te voet vanuit een bepaalde buurt naar de dichtstbijzijnde scholen, winkels, openbaar vervoerhaltes en andere voorzieningen? De mobiscore is gericht op mensen die op zoek zijn naar een nieuwe woning en wordt expliciet omschreven als instrument dat kan bijdragen aan gedragsverandering. Deze opiniebijdrage stelt in vraag of de mobiscore die ambitie kan waarmaken. Er liggen namelijk nogal wat veronderstellingen aan de basis die een eerder wankele fundering hebben. De eerste is dat betere informatie tot ‘betere’ burgers zou leiden die ‘beter’ gedrag zullen vertonen. Voorts wordt aangenomen dat mensen bij het kiezen van hun woning zouden streven naar een minimale milieu-impact. Ten slotte is er de eerder impliciete veronderstelling dat de gewenste organisatie van de ruimte de taak is van elk individu afzonderlijk, waardoor de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid afgewenteld dreigt te worden op een imaginaire goed geïnformeerde modelburger met absolute keuzevrijheid. Binnen het mobiliteitsbeleid is overtuigend aangetoond dat het niet de sensibiliserende campagnes zijn die aanzetten tot een overstap naar duurzame modi, maar wel de fysieke ingrepen en een sturend beleid. Meer dan een score die mensen dreigt te culpabiliseren, hebben we nood aan een sterk regulerend ruimtelijk beleid dat streeft naar en bijdraagt aan een onderscheiding voor alle Vlaamse woningen.
Meredith Van Hove, Provincie Vlaams-Brabant: Degrowth: ruimtelijk beleid in een sleutelrol
Hoe kan het Vlaams ruimtelijk beleid een sleutelrol spelen in de overgang naar een degrowth-samenleving? Degrowth slaat op het afwijzen van economische groei als maatschappelijk doel. In de plaats daarvan streeft de beweging naar een levenswijze binnen de fysieke grenzen van de aarde en een ‘goed leven’ voor allen. De nadruk ligt op het verwerpen van het kapitalisme en het consumentisme om in de plaats te mikken op gelijkheid, sociale cohesie en lokale economie. Jazeker, een transitie is nodig, maar vooral: er is een beter leven mogelijk waar we sowieso naar willen streven. Die transitie kan uiteraard niet gedragen worden door één sector. Ruimtelijk beleid bevindt zich echter in een belangrijke startpositie als beleidsdomein dat vele sectoren beïnvloedt. Het onderzoek werd uitgevoerd in het kader van een thesis in de Stedenbouw en de Ruimtelijke Planning tijdens de eerste helft van 2018. Vier casestudies wierpen een licht op de rode draden in de taakstelling van ruimtelijk planners en overheden. Er is een verschil tussen de onzekerheden waar we als ruimtelijk planner mee in aanraking komen en de onzekerheden die burgers ertoe dwingen krampachtig vast te houden aan hun gekende leefwereld en hun persoonlijk bezit. De onzekerheden die grote transities met zich meebrengen, blijken niet de zorgen te zijn waarvan mensen wakker liggen. Een gebrek aan vertrouwen in de zorgstaat en in de integriteit van de betrokken overheid zorgt voor meer weerstand bij projecten. De paper beschrijft een duidelijke attitude waarmee ruimtelijk planners zich volledig kunnen inzetten voor een degrowth-transitie.
Emilie verwimp, Departement Omgeving: Zeker Wonen
Wonen is een basisrecht. De woning is daarom voor de meeste mensen een baken van zekerheid. Maar wat als het tegen zit door ziekte, ouderdom of als je andere ondersteuningsnoden hebt dan de doorsnee bevolking? Deze paper beschrijft nieuwe woonconcepten die mensen meer zekerheid kunnen geven. En het beschrijft hoe het ruimtelijk, zorg- en woonbeleid in Vlaanderen deze evoluties hebben gefaciliteerd. Tot slot nemen we de temperatuur en bekijken we welke knelpunten nog bestaan en hoe deze kunnen worden opgelost.
Vranken Veronique, Provincie Limburg (België): Provincie Limburg verkent 2040 met 4 verbeeldende toekomstscenario’s.
De mogelijke toekomst visualiseren is een krachtige strategie om er beleidsmatig op voor te bereiden of op in te spelen. Daarom heeft de provincie Limburg een toekomstverkenning uitgevoerd via de methodiek van scenarioplanning. Deze methodiek laat toe om heel wat variabele factoren mee in rekening te nemen bij het voorstellen van verschillende mogelijke toekomstbeelden. Het is immers moeilijk om exact te voorspellen hoe de geopolitiek, mobiliteit, bevolking, economie of het klimaat zullen evolueren. Maar zij hebben allen wel een belangrijke impact op hoe we zullen leven en hoe we onze ruimte vormgeven. Het resultaat van deze denkoefening zijn 4 uiteenlopende scenario’s die beschrijven hoe de leefomgeving van Limburg er in 2040 kan uitzien: Transitiestad Limburg, Exploitatiegebied Limburg, Vlaams Toscane en Groeiregio Maas-Rijn. Dit zijn geen wensbeelden en er wordt niet gekozen voor een bepaald scenario. De scenario’s zijn aannemelijk, maar wel wat extreem voorgesteld om het debat te prikkelen. Op het toekomstevent “4keerLimburg2040” (20 juni 2019, Genk), reflecteerden tal van stakeholders aan de hand van 4 animatiefilmpjes over de mogelijke cross-sectorale uitdagingen, kansen of bedreigingen die de scenario’s in zich dragen. De toekomstscenario’s doorbreken ons dagelijks denkpatroon. Ze worden gebruikt als een hulpmiddel om ons voor te bereiden op mogelijke ontwikkelingen richting 2040 en als referentiekader om af te toetsen of beleidsbeslissingen toekomstbestendig zijn. De toekomstverkenning inspireert ons in de opmaak van een ruimtelijk beleidsplan. De paper gaat in op de aanpak, het resultaat, de bruikbaarheid en de aanbevelingen van de toekomstverkenning.
Alexander Woestenburg, TNO: Biedt de digital twin een oplossing?
Digitalisering en de platformeconomie lijken op het eerste gezicht interessante oplossingen te bieden voor stedelijke opgaven. Zeker geredeneerd vanuit circulaire economie en meervoudig ruimtegebruik. Populaire apps weten ongebruikte ruimte (of het nu woonruimte is via Airbnb of je auto en beschikbare weginfrastructuur via Uber) te benutten via een marktplaats die slim en snel vraag en aanbod op elkaar afstemt. De populariteit van deze diensten veroorzaakt niet alleen optimaler gebruik stedelijke ruimte, maar steeds vaker zelfs ‘overgebruik’ daarvan. Dat overgebruik leidt bijvoorbeeld tot overlast en congestie. Overheden raken de grip kwijt, en zoeken naar mogelijkheden om het ruimtegebruik beter te reguleren. Dat zij de grip kwijtraken, heeft drie belangrijke redenen. Ten eerste, veel platformen verdienen aan zaken die derden in eigendom hebben. Zij dragen daarmee zelf geen verantwoordelijkheid voor het juiste gebruik ervan. Er zijn (nog) onvoldoende mechanismen die het gebruik van eigendom van derden reguleren. Ten tweede vragen deze trends om een fundamentele reflectie op het publieke belang van een goed werkend ‘stedelijk systeem’. Een dergelijke heroriëntering is niet eenvoudig. Ten derde lijkt het erop dat overheden, ten opzichte van digitale platformen een inherente informatieachterstand hebben. Een aantal overheden probeert die informatieachterstand dapper in te halen door de ontwikkeling van zogeheten ‘digital twins’. Dit zijn ICT systemen die publieke en private data combineren tot een grondig en real-time inzicht in de werking en benutting van stedelijke systemen en infrastructuren. Dit artikel analyseert de wisselwerking tussen de drie hierboven genoemde redenen en beziet hoe dit overheden helpt weer grip te krijgen.