logo plandag
Genk C-mine

Deelnemers 2026

Tot nu toe hebben de volgende personen zich opgegeven:

Sandra van Assen (Technische Universiteit Delft) - PAPER: 200 X kwaliteit

Een goede kwaliteit van de leefomgeving wordt wereldwijd gezien als voorwaarde voor het welzijn van mensen en voortbestaan van de aarde. Goede kwaliteit draagt bij aan een veerkrachtige en weerbare leefomgeving met sociale en culturele waarde. Daarom is kwaliteit in veel landen benoemd als ruimtelijke doelstelling. In Nederland is ‘goede omgevingskwaliteit’ een maatschappelijke doelstelling van de Omgevingswet en is ‘goede en gezonde leefomgevingskwaliteit’ als nationaal belang aangemerkt in de Ontwerp-Nota Ruimte (2025). De vraag die in deze paper centraal staat is hoe kwaliteit als ruimtelijke doelstelling, inhoudelijke betekenis en sturingskracht krijgt. Voor analyse van de inhoud gebruiken we de theorie van interpretatierepertoires. Voor de analyse van sturingskracht gebruiken we publieke waardentheorie en een arrangementperspectief op sturing. We passen de sleutelconcepten toe in een contentanalyse van de Ontwerp-Nota Ruimte. We constateren dat de kwantiteit van ‘kwaliteit’ hoog is; het woord komt bijna tweehonderd keer voor in de ontwerpnota. De kwaliteit van de uitwerking vertoont echter hiaten. Goede en gezonde leefomgevingskwaliteit is niet geconcretiseerd als overkoepelend principe en beoordelingscriterium, waardoor de kwaliteitsdoelstelling in feite inhoudsloos is. Bovendien ontbreekt een kwaliteitssturingsfilosofie met daarbij passende instrumentatie, capaciteit en middelen. De sleutelconcepten maken in hun samenhang een systematische analyse mogelijk van de interpretatie en het sturingsarrangement van kwaliteit als ruimtelijke doelstelling. Bovendien kunnen ze agenderend zijn bij een kwaliteitsdialoog en bij het opstellen van beleidsdocumenten zoals de Nota Ruimte. Daarmee leveren ze een bijdrage aan de betekenis van kwaliteit als ruimtelijke doelstelling en de inzet van instrumenten om te sturen op kwaliteit.

Co-auteur: José van Campen

De auteurs zijn promovenda aan de TU-Delft. Deze conferentiepaper geeft een voorlopig onderzoeksresultaat. De concepten en analyse maken onderdeel uit van de promotieonderzoeken en zullen in definitieve vorm gepubliceerd worden in twee proefschriften. De bevindingen m.b.t. de Ontwerp-Nota Ruimte zijn in een zienswijze gedeeld met het Ministerie (zie: https://q-factor.info/diversen/zienswijze-ontwerp-nota-ruimte/).

Fien Batens (OMGEVING cv) - OPINIE: “We weten al wat mensen zullen antwoorden”: een onderzoek naar hoe burgerparticipatie de weerbaarheid van gemeenten kan aanscherpen

Weerbare gemeenten steunen niet alleen op doordachte ruimtelijke keuzes, maar ook op het vermogen van burgers, belangenorganisaties en bestuur om om te gaan met onzekerheid, conflicten en uiteenlopende standpunten. Participatie speelt daarbij een belangrijke rol: ze kan een leerproces op gang brengen waarin een collectief nieuwe manieren van samenwerken verkent. Vlaamse gemeenten schakelen momenteel over van ruimtelijke structuurplanning naar ruimtelijke beleidsplanning. Ze moeten hierbij verplicht een vaste procedure volgen, waarin burgerbetrokkenheid is opgenomen. Hoewel steden en gemeenten dankzij jaren stadsvernieuwing veel ervaring hebben met participatie, vragen de complexe, onzekere en onvoorspelbare uitdagingen van een beleidsplan om een ander type participatietraject dan de vertrouwde, wijkgerichte trajecten. In onze paper tonen we aan dat zo’n participatietraject best vertrekt vanuit een collectief van burgers, belangenorganisaties, experten en overheden die samen een leertraject doorlopen. Daarbij onderzoeken ze hoe individuele ‘leefwerelden’ gekoppeld kunnen worden aan de ‘systeemwerelden’ van (lokale) overheden en experten. Een analyse van eerdere participatietrajecten rond de opmaak van ruimtelijke beleidsplannen toont drie manieren waarop ruimtelijke beleidsplanningstrajecten kunnen bijdragen aan collectieve leertrajecten: via ambitievormende, visievormende en coalitievormende participatietrajecten. De keuze voor één van deze types trajecten hangt samen met de reden waarom de gemeente een beleidsplan wil opmaken, haar participatiecultuur en strategische overwegingen. Op basis van cases illustreren we hoe lokale overheden, binnen de verplichte procedure, trajecten-op-maat kunnen uittekenen waarbinnen ze samen met hun burgers kunnen werken aan een meer weerbare gemeente.

Co-auteurs: Oswald Devisch (Universiteit Hasselt), Brecht Cuyvers (ontwerpbureau OMGEVING), Daphné Roels (ontwerpbureau OMGEVING), Fien Batens (ontwerpbureau OMGEVING), Peggy Criel (departement Omgeving) en Geert Stichelbaut (departement Omgeving)

Johan van den Berg (Urbanissimo) - PAPER: Rewilding in het versnipperde woonlandschap. Ontwerp, data en gedrag als hefbomen voor transformatieve en regeneratieve ruimtelijke verandering in Vlaanderen.

Vlaanderen behoort tot de meest ruimtelijk versnipperde regio’s van Europa. Verspreide bebouwing, verkavelingen, linten en infrastructuur hebben geleid tot een diffuus woonlandschap waarin natuur, wonen en dagelijks gebruik sterk met elkaar verstrengeld zijn. In deze context lijkt het klassieke begrip rewilding — vaak gekoppeld aan grootschalige, aaneengesloten natuurgebieden — moeilijk toepasbaar. Dit onderzoek vertrekt vanuit de hypothese dat net dit versnipperde woonlandschap potentieel biedt voor een regeneratieve benadering van ruimtelijke ontwikkeling, waarin ecologisch herstel samengaat met de heroriëntatie van de Vlaamse woondroom.

Rewilding wordt daarbij niet opgevat als een terugkeer naar wildernis, maar als een transformatief ruimtelijk proces binnen bewoonde, laagdichte omgevingen. Het onderzoek verkent hoe ruimtelijke analyse, ontwerpend onderzoek en gedragsgevoelige governance samen kunnen bijdragen aan een landschap waarin bewoning niet langer een drukfactor is, maar een drager van ecologische kwaliteit. Woonlandschappen worden benaderd als een permeabele matrix waarin kleine, gecoördineerde ingrepen — zoals ontharding, vergroening en herverbinding — disproportioneel grote ecologische effecten kunnen genereren.

Methodologisch ontwikkelt het onderzoek een cyclisch proces waarin (1) ruimtelijke diagnose van fragmentatie, (2) data-gedreven identificatie van rewildingpotenties, (3) ontwerpend onderzoek via scenario’s, en (4) evaluatie van ruimtelijke, ecologische en gedragsmatige effecten elkaar versterken. Ontwerp fungeert hierbij als onderzoeksinstrument, terwijl data-analyse vergelijking en transparantie ondersteunt zonder te vervallen in louter technocratische optimalisatie.

Door rewilding te verbinden met de culturele realiteit van de Vlaamse woonwens en met regeneratieve ontwerplogica, draagt dit onderzoek bij aan het debat over transformative change in planning. Het verschuift de focus van natuur beschermen tégen bewoning naar bewoning herontwerpen vóór natuur, en toont hoe alledaagse woonlandschappen actieve dragers kunnen worden van ecologisch herstel.n nieuwe rol voor stedelijke overheden en ruimtelijke professionals in agrarische gebiedsprocessen.

Margo Bienstman (Departement Omgeving)
Helena Bieseman (Departement Omgeving)
Anne Blanksma (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) - PAPER: Benut ruimtelijke ordening als drager van een weerbare samenleving

Met de nieuwe nota ruimte kiest de Rijksoverheid voor een integrale systeembenadering van de ruimtelijke ordening van Nederland. Deze benadering sluit aan bij de fysieke en sociale opgave om Nederland weerbaarder te maken tegen externe systeemschokken, veroorzaakt door klimaatverandering, geopolitieke dreigingen en pandemieën. Met een rijke historie van ruimtelijke ordening als middel tegen de dreiging van water, kan Ruimtelijke Ordening opnieuw een drager worden van een weerbare samenleving.

Co-auteur: Willemieke Hornis

Kobe Boussauw (Vrije Universiteit Brussel - Cosmopolis Centre for Urban Research) - PAPER: Mobiliteitsbeleid via zoneringsplannen: hoe ruimtelijke planningspraktijk stedelijke mobiliteit beïnvloedt

Transportplanning en ruimtelijke planning zijn twee verschillende disciplines, die van heel andere academische en praktische tradities afstammen en zich binnen verschillende juridische kaders bewegen. Nochtans werken ze rond gelijkaardige thema’s, vaak in dezelfde geografische gebieden, en maken ze gebruik van verwante instrumenten. Beleidsinstrumenten die bedoeld zijn om de stedelijke mobiliteit te sturen zijn minder gestandaardiseerd en vaak ook minder gezaghebbend dan ruimtelijke zoneringsplannen, die bedoeld zijn om de ontwikkeling van de gebouwde omgeving te sturen maar ook impact hebben op de mobiliteit. Hoewel zoneringsplannen niet per se bedoeld zijn om vorm te geven aan de stedelijke mobiliteit, hebben ze daar in de praktijk wel vaak invloed op. Een vaak geleverde kritiek is dat zonering verweving van functies tegenwerkt en verdichting blokkeert op plaatsen waar dat juist wenselijk zou zijn vanuit mobiliteitsoogpunt. Anderzijds kan zonering juist hogere dichtheid verordenen op plaatsen die goed bediend worden door het openbaar vervoer, het parkeren organiseren, en openbare ruimte toewijzen aan de verschillende vervoerswijzen. Deze paper verkent een onderzoekspiste waarbinnen zal bekeken worden op welke manier zoneringsplannen innovatieve, op duurzaamheid en inclusie gerichte stedelijke mobiliteit kunnen ondersteunen of juist tegenwerken, en hoe dit mee bepaald wordt door de vigerende planningscultuur en -praktijk. Dit zal gebeuren door middel van internationaal casestudy-onderzoek in verschillende geografische regio’s en bestuurlijke contexten. De resultaten van het onderzoek zullen naar verwachting bijdragen tot de planningstheoretische literatuur, maar ook tot de praktische kennisbasis voor het planningsonderwijs en de planningspraktijk in Vlaanderen en Brussel.

Martijn van den Bosch (Woonin / bestuurslid PlanDag)
Geiske Bouma (TNO Vector / bestuurslid PlanDag)
Rosalie Braakman (TNO Vector) - PAPER: Sociale systemen als fundament voor weerbaarheid

In het ruimtelijke domein wordt weerbaarheid vaak benaderd via fysieke randvoorwaarden: waterveiligheid, energiezekerheid, vitale infrastructuren en robuuste ruimtelijke structuren. Maar wie goed kijkt, ziet dat achter elk ruimtelijk systeem een sociaal systeem schuilgaat. Een gebied kan pas écht weerbaar zijn wanneer de onderliggende sociale netwerken, instituties en relaties sterk genoeg zijn om schokken gezamenlijk op te vangen én tijdig te handelen om systeemfalen te voorkomen. In dit paper noemen we dat het belang van een krachtig sociaal weefsel, en zonder een sterk sociaal weefsel blijft ruimtelijke weerbaarheid fragiel. Dit onderzoek laat zien dat maatschappelijke opgaven – van klimaatadaptatie tot energie armoede, zorgdruk en leefbaarheidsproblemen – steeds meer afhangen van samenwerking tussen overheid, burgers, maatschappelijke initiatieven en markt. Juist daar wringt het: institutionele logica botst met lokale initiatiefkracht, beleid en samenleving worden als gescheiden werelden benaderd, en opschaling van succesvolle initiatieven stokt door gebrek aan structurele inbedding. Het gevolg: sociaal kapitaal neemt af, wantrouwen groeit, en collectieve veerkracht verzwakt. In deze bijdrage verkennen wij hoe ruimtelijke planners rekening kunnen houden met sociale bouwstenen van weerbaarheid. We laten zien welke sociale condities cruciaal zijn om ruimtelijke keuzes toekomstbestendig te maken, hoe sociaal kapitaal (relaties, vertrouwen, gedeeld eigenaarschap) fungeert als buffer tegen crises, en welke structurele strategieën nodig zijn om sociale systemen te versterken. Aan de hand van praktijkvoorbeelden uit het maatschappelijk middenveld (energiecoöperaties, zorggemeenschappen, buurtcollectieven) en inzichten uit systeemtransities laten we zien hoe sociale netwerken, mits ondersteund, bijdragen aan vroegtijdig omschakelen, legitimiteit van ruimtelijke keuzes en collectieve actie in tijden van nood. Ons betoog is dat ruimtelijke weerbaarheid vraagt niet alleen robuuste structuren, maar ook robuuste sociale systemen. Pas als planners expliciet sturen op het versterken van sociaal kapitaal en institutionele samenwerking, ontstaat een samenleving die schokken niet alleen kan doorstaan, maar ze ook kan helpen voorkomen. Met deze bijdrage willen we het debat openen over hoe planners sociale systemen kunnen meenemen in ontwerp, beleid en governance – en zo bouwen aan een weerbare, inclusieve en toekomstbestendige samenleving.

Moira Callens (provincie Oost-Vlaanderen)
Tristan Claus (KU Leuven) - PAPER: Het institutionele streisandeffect: een verhaal over legitimiteit, zonevreemdheid en de hardnekkigheid van projectgedreven planning in Vlaanderen

Het planningssysteem in Vlaanderen kampt met legitimiteitsproblemen. Hoewel het formeel planmatig is opgebouwd, steunend op strategische visies en gebiedsgerichte bestemmingsplannen, volgt het in de praktijk vaak een projectgedreven logica. Onderzoek van het Departement Omgeving toont bijvoorbeeld aan dat tussen 2013 en 2022 maar liefst 75 % van het bijkomend ruimtebeslag in Vlaanderen plaatsvond op locaties die in strijd zijn met de principes van het Ruimtelijk Beleidsplan voor Vlaanderen. Planning regeert in woorden, maar zelden in daden.
Deze paper onderzoekt historische verklaringen voor deze institutionele lock-in die het projectgedreven denken en handelen in het Vlaamse planningssysteem op lange termijn vormgeeft. Daartoe analyseert zij het voorbeeld van de basisrechten voor zonevreemde woningen: residentiële woningen in landbouw-, natuur- of bosgebieden. Hoewel de Vlaamse regering eind jaren negentig zonevreemde woningen geleidelijk wilde uitfaseren via een planmatige aanpak, maakten de in 2001 wettelijk verankerde basisrechten deze aanpak onmogelijk door algemeen toe te laten dat ze worden verbouwd, uitgebreid en herbouwd.
Op basis van een analyse van persberichten en parlementaire documenten, aangevuld met interviews met betrokken politici, ambtenaren en belangengroepen, toont deze paper aan dat de planmatige aanpak van zonevreemde woningen aan legitimiteit ontbrak door een gebrek aan bestuurlijke capaciteit, maar ook omdat zij botste met diepgewortelde normen, waarden en vanzelfsprekende aannames in Vlaanderen. Daarom introduceert de paper het concept van een institutioneel streisandeffect: een situatie waarin een planmatige aanpak zoveel maatschappelijke beroering veroorzaakt, opgehitst door de framing ervan in de media, dat de uiteindelijke hervormingen het planningssysteem meer projectgedreven maken dan voorheen.

Lieve Custers (Departement Omgeving / bestuurslid PlanDag)
Brecht Cuyvers (OMGEVING cv) - PAPER: Van noodpakket naar koersvast beleid: beleidsplanning als hefboom voor weerbaarheid en verbinding

De huidige uitdagingen (zoals klimaatadaptatie, vergrijzing en woningdruk) vergen meer dan ad-hocmaatregelen. Zonder strategische langetermijnvisie blijft elk noodpakket een druppel op een hete plaat. Koersvaste beleidsplanning biedt een noodzakelijk kader dat richting geeft, keuzes verankert en bestuurskracht bundelt over legislaturen heen. Zo wordt beleidsplanning een motor voor ruimtelijke weerbaarheid.
Toch hinkt Vlaanderen achterop. Acht jaar na de invoering van het ‘ruimtelijk beleidsplan’ beschikt slechts een minderheid van de gemeenten over een actueel strategisch kader, terwijl bovenlokale het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) en provinciale beleidsplannen op zich laten wachten. Deze leemte op bovenlokaal niveau verhoogt de onzekerheid, vooral voor gemeenten met beperkte expertise en middelen. In Limburg en Oost- en West-Vlaanderen resulteert dit in een achterstand, ondanks urgente opgaven rond waterveiligheid, mobiliteit en leefkwaliteit.

Onderzoek toont dat gemeenten verschillende motieven hebben om een beleidsplan op te maken, maar ook dat zowel structurele (ligging, grootte, verstedelijking, gemeentefusies) als institutionele factoren (politiek klimaat, overlegcultuur, vertrouwen) bepalend zijn. (Centrum-)rechtse besturen nemen opvallend vaker het voortouw, wat het risico meebrengt dat beleidsplanning wordt ingezet als instrument voor deregulering in plaats van strategische sturing.

Wanneer beleidsplanning participatief wordt vormgegeven, kan het uitgroeien tot verbindend platform dat coalities smeedt tussen burgers, experten en beleidsmakers. Een robuuste regionale aanpak is hierbij essentieel. Nederland toont dit met de Nota Ruimte en de omgevingsplannen, waarin nationale richting en lokale uitvoering elkaar versterken. Vlaanderen kan via het BRV en intergemeentelijke regie dezelfde hefboom creëren naar een meer weerbare, toekomstgerichte samenleving.

Oswald Devisch - PAPER: We weten al wat mensen zullen antwoorden”: een onderzoek naar hoe burgerparticipatie de weerbaarheid van gemeenten kan aanscherpen

Weerbare gemeenten steunen niet alleen op doordachte ruimtelijke keuzes, maar ook op het vermogen van burgers, belangenorganisaties en bestuur om om te gaan met onzekerheid, conflicten en uiteenlopende standpunten. Participatie speelt daarbij een belangrijke rol: ze kan een leerproces op gang brengen waarin een collectief nieuwe manieren van samenwerken verkent. Vlaamse gemeenten schakelen momenteel over van ruimtelijke structuurplanning naar ruimtelijke beleidsplanning. Ze moeten hierbij verplicht een vaste procedure volgen, waarin burgerbetrokkenheid is opgenomen. Hoewel steden en gemeenten dankzij jaren stadsvernieuwing veel ervaring hebben met participatie, vragen de complexe, onzekere en onvoorspelbare uitdagingen van een beleidsplan om een ander type participatietraject dan de vertrouwde, wijkgerichte trajecten. In onze paper tonen we aan dat zo’n participatietraject best vertrekt vanuit een collectief van burgers, belangenorganisaties, experten en overheden die samen een leertraject doorlopen. Daarbij onderzoeken ze hoe individuele ‘leefwerelden’ gekoppeld kunnen worden aan de ‘systeemwerelden’ van (lokale) overheden en experten. Een analyse van eerdere participatietrajecten rond de opmaak van ruimtelijke beleidsplannen toont drie manieren waarop ruimtelijke beleidsplanningstrajecten kunnen bijdragen aan collectieve leertrajecten: via ambitievormende, visievormende en coalitievormende participatietrajecten. De keuze voor één van deze types trajecten hangt samen met de reden waarom de gemeente een beleidsplan wil opmaken, haar participatiecultuur en strategische overwegingen.
Op basis van cases illustreren we hoe lokale overheden, binnen de verplichte procedure, trajecten-op-maat kunnen uittekenen waarbinnen ze samen met hun burgers kunnen werken aan een meer weerbare gemeente.

Tim Devos (UGent / Endeavour) - PAPER: Vervlecht het sociale en het ruimtelijke: waarom blijft een sociaal-ruimtelijke reflex zo moeilijk in de praktijk?

We bepleiten al geruime tijd dat sociale dynamieken en ruimtelijke ingrepen onlosmakelijk verbonden zijn. Gedegen kennis van gebruikspatronen en een kwaliteitsvolle integratie ervan in ontwerp- en planningsprocessen zijn essentieel om inclusieve leefomgevingen te realiseren. Toch primeert in de praktijk nog vaak de ruimtelijke blik.
In deze bijdrage onderzoeken we waarom de sociaal-ruimtelijke vertaalslag zo moeizaam verloopt en prikken we enkele hardnekkige mythes door. Het probleem kan niet worden herleid tot een vermeend “taalverschil” tussen ontwerpers en sociale professionals. De kern van de uitdaging ligt veeleer in de organisatorische realiteit van lokale overheden.

De analyse is gebaseerd op praktijkgericht onderzoek en interviews met diverse actoren en disciplines binnen de stedelijke administratie van Gent. Daaruit blijkt hoe toenemende technische en maatschappelijke complexiteit leidt tot specialisatie en verkokering, waardoor geïntegreerde afwegingen onder druk komen te staan. Contextgebonden, mensgerichte kennis botst vaak op juridisch afdwingbare en gestandaardiseerde randvoorwaarden en krijgt een lagere ‘wettelijkheid’. Tijdsdruk, statische budgetten, uiteenlopende beleidskaders en verschillen in schaal en tempo bemoeilijken bovendien de consistente inzet van sociale inzichten.

De bijdrage nodigt uit om samen na te denken over hoe we binnen administraties ruimte kunnen maken voor een expliciete sociaal-ruimtelijke reflex als gedeelde grondhouding in ruimtelijke besluitvorming.

Valerie Dewaelheyns - PAPER: Richting een utopisch tuinenlandschap

Wat als… slechts twee woorden de kracht hebben om een andere toekomst te openen? De complexiteit van de uitdagingen waar we voor staan roept om frisse ideeën. Dromen mag dus, moet zelfs. Weerbaarheid gaat over het creëren van ruimte om in vraag te stellen, ruimte om te verbeelden om zo te ontdekken of en welke alternatieven er zijn voor wat we kennen. Ontwerpen en plannen is tenslotte kijken naar wat zou kunnen zijn. Wat als we die ruimte eens maken voor een maatschappelijke transformatie die individuele rechten koppelt aan collectieve verantwoordelijkheid, en dit voor misschien de meest gevoelige plek in deze context – tuinen? Onder de vrijheid van een ou-topos – een onbestaande plek – reflecteer ik over een eu-topos – een denkbeeldig toekomstideaal. Tegenovergesteld aan Thomas More’s Utopia – waarin individuele eigendom en vrijheid ontbraken ten voordele van het algemeen belang – verken ik een utopisch tuinenlandschap net verder bouwend op private eigendom en individuele oplossingen. Ruimtelijk potentieel, menselijk gedrag en verandering van en tussen burger en overheid staan centraal in deze verkenning die onderbouwd wordt vanuit recente wetenschappelijke inzichten. Onze zoektocht naar weerbaarheid heeft nood aan woorden die in al hun eenvoud krachtig genoeg zijn om nieuwe denkrichtingen te openen, verbeeld naar mogelijkheden en niet enkel in beperkingen. Een nieuwe invalshoek op wat al bestaat, kan richting geven door te tonen waar en hoe we onze weerbaarheid kunnen versterken.

Jaimy van Dijk (Bureau BUITEN / Jong BNSP) - OPINIE: Visie van de jonge generatie: een roep voor actie: Defensie, Ontwerpkracht en Planologie hand in hand!

Europa bevindt zich in een nieuwe geopolitieke realiteit. De dreiging langs de oostgrens neemt toe, terwijl de vanzelfsprekendheid van Amerikaanse steun binnen de NAVO onder druk staat. Daardoor groeit de druk op Nederland en België om hun defensiecapaciteit fors uit te breiden, in de vorm van ruimte voor nieuwe oefenterreinen, infrastructuur en locaties om te kunnen opereren op een hoger NAVO-niveau. Tegelijkertijd is ruimte in Nederland en België schaars en wordt diezelfde ruimte opgeëist door woningbouw, natuur, energie en infrastructuur. Juist hier ontstaat een urgente ontwerpopgave: defensie krijgt steeds meer prioriteit in beleid en vergunningen, maar benutten we deze uitzonderingspositie ook als kans om ruimtelijke kwaliteit en maatschappelijke opgaven te verbinden?

Als jonge, energieke en professionele ruimtelijk denkers vragen we ons af, kunnen we vanuit ons vakgebied meehelpen en actief bijdragen aan die ruimte voor defensie creëren en vormgeven? En zo helpen met de weerbaarheid van onze landen, met de schaarse ruimte die in Nederland en België beschikbaar is? Zo ja: hoe? Voor deze gigantische opgave is een nieuw creatief denken vereist, buiten de gebaande paden.

Als ontwerpers en planologen werken we dagelijks aan complexe ruimtelijke vraagstukken, in binnen- en buitenland. We bouwen aan nieuwe steden, nieuwe woonvormen en geven landschappen en werklandschapppen vorm. Thema’s als natuurinclusiviteit, klimaatbestendigheid, duurzaamheid, en betaalbaarheid in acht nemend. Dat alles in een complexe planologische omgeving zoals de Omgevingswet in Nederland.

Waarom gebruiken we deze kennis en kunde niet voor kazernes, logistieke corridors, opleidingsterreinen en wapenopslag? Laten we vanuit de bril van de nieuwe generatie kijken hoe Defensie, Ontwerpkracht en Planologie hand in hand kunnen gaan. Samen vreedzaam strijden voor een toekomstbestendig en weerbaar Nederland en België.

David Dooghe (TNO / bestuurslid PlanDag) - PAPER: Klimaatneutraliteit op buurtniveau, lessen vanuit Positive Energy Districts

De EU Stedenmissie en het gekoppelde NetZeroCities (NZC)-programma hebben tot doel om honderd steden te ondersteunen bij het bereiken van klimaatneutraliteit (klimaatmitigatie en -adaptatie) tegen 2030. Dit door hun broeikasgas uitstoot versnelt af te bouwen en hun maatschappelijk welzijn en weerbaarheid te versterken. Om de honderd Missiesteden te ondersteunen ontwikkelde NZC de Climate Transition Map, een routekaart met zes stappen, dat steden ondersteunt in het ontwikkelen en later implementeren van hun Climate City Contract. Dit contract is op de gemeentelijke of regionale schaal.

Dit paper onderzoekt hoe de gecombineerde ambities van klimaatneutraliteit en maatschappelijk welzijn en weerbaarheid te realiseren op buurtniveau. Hiervoor reflecteren we op de lessen uit geïntegreerde benaderingen van vier Positive Energy District (PED)-projecten en koppelen we deze inzichten aan de zes stappen van de Climate Transition Map.

Onze analyse resulteert in vier belangrijke reflecties en aanbevelingen. Ten eerste vereist de transitie naar een klimaat neutrale buurt sterkere onderlinge verbanden tussen verschillende systemen; daarom bevelen we een brede inventarisatie van de technische, sociale, financiële en planning gerelateerde uitdagingen aan. Ten tweede, het leven in een buurt stopt niet en projecten zullen een zekere mate van hinder veroorzaken. Kijk hoe sociale vraagstukken kunnen worden opgepakt in de ontwikkeling van de projecten. Ten derde is de domein overstijgende aanpak. De vier PED-projecten laten zien hoe slimme energiesystemen kunnen worden gecombineerd met mobiliteit en burgerparticipatie, waardoor synergiën ontstaan die de impact versterken. Tot slot is replicatie geen kwestie van kopiëren en plakken; succesvolle opschaling vereist contextgevoelige en lokaal aangepaste strategieën.

Co-auteurs:Eleni Charoniti (TNO), Mari Hukkalainen (VTT), Julia Kantorovitch (VTT)

Marten Dugernier (Antea Group)
Rinus Elsman (TNO) - PAPER: Vitale systemen als fundament voor stedelijke weerbaarheid

In een tijd van toenemende onzekerheid, van klimaatverandering en energietransitie tot digitalisering en ruimtedruk, neemt het belang van vitale stedelijke systemen snel toe. Energie, water, mobiliteit, afval en digitale infrastructuur vormen het fundament van het dagelijks functioneren van steden, economie en burgers. Deze systemen staan echter onder groeiende druk én worden vaak verkokerd beheerd. Daardoor blijven onderlinge afhankelijkheden, kwetsbaarheden en cascade-effecten te vaak buiten beeld, wat de weerbaarheid van steden ondermijnt.
Waar veerkracht vooral inzet op herstel na een schok, vraagt weerbaarheid om een stap ervóór: het voorkómen van systeemfalen door integrale sturing, tijdige omschakeling en doordachte ruimtelijke keuzes, boven en onder de grond. De transitie naar elektrische mobiliteit vraagt om een robuust energienet en laadinfrastructuur; collectieve warmtenetten concurreren in de ondergrond met kabels en leidingen van andere systemen; en groei van de stad verhoogt simultaan de druk op water-, energie- en mobiliteitscapaciteit. De conclusie is helder: sectorale oplossingen verschuiven en vergroten risico’s als ze niet systeemgericht worden verbonden. De door TNO ontwikkelde Vitale Systemen Aanpak, biedt gemeenten een geïntegreerde methode om deze complexe systemen als één samenhangend geheel te analyseren, visualiseren en crosstesten en om de uitkomsten toe te passen op concrete stedelijke opgaven. De methode is toegepast in o.a. Rotterdam, Amsterdam, Utrecht en Nijmegen en ondersteunt integraal ruimtegebruik, afstemming tussen mobiliteit, energie en watersystemen, en datagedreven besluitvorming. We laten zien hoe gemeenten hun regierol kunnen versterken: van sectorale silo’s naar geïntegreerde systeemstrategieën, van adhoc samenwerking naar structurele partnerschappen, en van reactief handelen naar adaptieve programmering met heldere triggers en proportionele redundantie waar de continuïteit dit vereist. Deze bijdrage levert bouwstenen voor een planologisch “noodpakket” dat steden niet alleen veerkrachtig maakt, maar daadwerkelijk weerbaar, robuust en adaptief.

Francien Fons (BVR Adviseurs) - PAPER: Van ambitie naar realisatie: Hoe zachte waarden een plek kunnen krijgen in gebiedsontwikkeling

Binnen het ruimtelijk domein winnen begrippen als sociale cohesie, brede welvaart, rechtvaardigheid en sociale weerbaarheid steeds meer aan belang in gebieds- en ontwikkelvisies. Deze overlappende concepten worden vaak gevat onder ‘zachte waarden’. Hoewel zachte waarden steeds vaker worden genoemd als sleutel voor duurzame gebiedsontwikkeling, komt de ontwikkeling van deze waarden ondanks de beste bedoelingen vaak nog niet goed van de grond.
Dit onderzoek richt zich daarom op de vraag welke mechanismen de realisatie van zachte waarden in gebiedsontwikkeling belemmeren, en hoe deze kunnen worden doorbroken. Daarbij wordt specifiek gekeken naar gebiedsontwikkelingen rond stedelijke knooppunten, waar complexe ruimtelijke, sociale en economische opgaven samenkomen.
Aan de hand van een literatuurstudie worden belemmerende mechanismen geïdentificeerd. Vervolgens worden praktijkcases geanalyseerd waarin zachte waarden expliciet zijn geïntegreerd in gebiedsontwikkeling, om inzicht te krijgen in succesvolle strategieën. De analyse focust op financiële mechanismen, beleidskeuzes, organisatorische inrichting en de rol van stakeholders.
Al met al biedt dit onderzoek een praktisch en inspirerend kompas om maatschappelijke waarden blijvend een plek te geven in gebiedsontwikkeling, en zo steden te bouwen die sociaal sterker, veerkrachtiger en inclusiever zijn.

Filip Hendrickxs (departement Omgeving)
Jan van Hoof (Placecompany) - PAPER: Stedelijke infrastructuur als duw in de rug voor de uitdagingen van het dagelijksleven.

Een echte crisis hadden we al lange tijd niet meer meegemaakt. We zagen de klimaatcrisis langzaam op ons afkomen, maar deze lijkt steeds meer naar de achtergrond te verschuiven ten opzichte van de opeenvolgende crises die vandaag een directe bedreiging vormen voor ons leven. We hebben ons door de Covidcrisis, de energiecrisis en momenteel door de geopolitieke spanningen van een veranderende wereld geworsteld. Telkens hebben we weerbaarheid getoond en zijn we opnieuw opgestaan.
Toch waren tijdens elke crisis de bewoners die leven in kwetsbare omstandigheden in verouderde, laagwaardige wijken degenen die de zwaarste klappen kregen (Lui et al., 2023). Het tonen van weerbaarheid blijkt echter niet vanzelfsprekend wanneer dagelijks veerkracht nodig is om te overleven. Weerbaarheid zit in de eerste plaats in mensen (Oudenhoven, 2025) en in gemeenschappen die gezamenlijk onzekerheden kunnen opvangen. Juist in wijken waar uitdagingen zich opstapelen, vraagt dit om gerichte ondersteuning.
In dit paper verkennen we hoe ruimtelijke infrastructuur, in combinatie met sociaal-technische infrastructuur, de weerbaarheid van bewoners kan ondersteunen. Het paper bouwt voort op inzichten uit de ontwikkeling van een conceptstudie gericht op de wijk Sluizeken-Tolhuis-Ham in Gent. We hanteren de Quality of Life Measurement Tool (WHO, 2012), opgesteld door de Wereldgezondheidsorganisatie, als analytisch kader om doelgericht te onderzoeken hoe stedelijke infrastructuren kunnen bijdragen aan het versterken van de weerbaarheid van bewoners.
Dit paper verdiept de toegepaste methode, bespreekt de resultaten van de case Sluizeken-Tolhuis-Ham en verkent lessen voor toekomstig stedelijk beleid en ruimtelijke planning.

Willemieke Hornis (Ministeries van BZK en VRO) - OPINIE: Benut ruimtelijke ordening als drager van een weerbare samenleving

Met de nieuwe nota ruimte kiest de Rijksoverheid voor een integrale systeembenadering van de ruimtelijke ordening van Nederland. Deze benadering sluit aan bij de fysieke en sociale opgave om Nederland weerbaarder te maken tegen externe systeemschokken, veroorzaakt door klimaatverandering, geopolitieke dreigingen en pandemieën. Met een rijke historie van ruimtelijke ordening als middel tegen de dreiging van water, kan Ruimtelijke Ordening opnieuw een drager worden van een weerbare samenleving.

Co-auteur: Anne Blanksma

Rowie Huijbregts (TNO)

 

 

Ingrid Janssen (Avans Hogeschool) - PAPER: Mapping Social Infrastructures to Improve Neighborhood Wellbeing: the Case of Deurne

Urban resilience increasingly depends on the capacity of neighborhoods to sustain social connections, support mutual care, and adapt to demographic and spatial change. Social infrastructures—both formal facilities and the informal networks and everyday meeting places that underpin social life—are essential components of this resilience. Yet these infrastructures are often insufficiently visible in municipal planning. This study develops an integral mapping approach that explores how social infrastructures shape neighborhood wellbeing and collective adaptive capacity. Taking the Dutch municipality of Deurne as a case study, with particular attention to the neighborhood of Koolhof, the research combines spatial analysis, field observations, qualitative inquiry, and soft data collection to construct a multilayered visualization of social dynamics. The approach captures not only public amenities, parks, and community facilities, but also informal social spaces such as cafés, supermarket corners, walking routes, and spontaneous gathering spots. Insights from residents and local stakeholders further illuminate perceptions of safety, connection, and accessibility—key dimensions of everyday resilience. The resulting mapping explores how social infrastructures function as dynamic systems, influenced by spatial conditions, demographic changes, and local practices. It also highlights vulnerabilities and opportunities for strengthening community resilience through spatial or programmatic interventions, serving primarily as a dialogue tool. The study ultimately offers a transferable toolkit that helps municipalities integrate social infrastructures into policy, cross‑sector collaboration, and resident dialogue. By making invisible social dynamics visible, the approach supports more resilient, socially connected, and adaptive neighborhoods.

Co-auteurs: Cecilia Chiappini en Fenna Rooijakkers

Pieter Jong (WUR en Delft University of Technology) - PAPER: Hoe kunnen typische plattelandsgeluiden planologisch beschermd worden? Verkenning van een mogelijke Kukelekuwet in Nederland

Hoe kunnen typische plattelandsgeluiden planologisch beschermd worden? Verkenning van een mogelijke Kukelekuwet in Nederland Recentelijk is in Nederland een Vakbond voor Plattelandsbewoners opgericht. Deze vakbond heeft als doel: “een leefbaar, toegankelijk en vitaal platteland, met echte inspraak, voedselzekerheid en behoud van gemeenschappen en bescherming van het sensorisch erfgoed (met de Kukelekuwet)”.1) Met het woord ‘Kukelekuwet’ wordt verwezen naar Franse wetgeving die sinds 2021 van kracht is. In Frankrijk wordt een landbouwer (civielrechtelijk) beschermd wanneer overlast wordt veroorzaakt door landbouwactiviteiten die reeds bestonden vóórdat de benadeelde persoon (de gehinderde) zijn perceel/woning in bezit nam. Na een korte bespreking van dit Franse voorbeeld wordt in dit paper verkend wat in Nederland planologische mogelijkheden zijn om ‘bestaande plattelandsactiviteiten’ (incl. de daarbij behorende geluiden) te beschermen. Planologische bescherming van plattelandsactiviteiten en de daarbij behorende geluiden roept echter ook vragen op: welke overlast kan nog als ‘normaal’ worden gekwalificeerd en wanneer wordt de overlast ‘abnormaal’ of zelfs onrechtmatig? Is het mogelijk om met voldoende onderbouwing onderscheid te maken tussen verschillende deelgebieden, waarbij de mate van planologische bescherming samenhangt met het karakter van het betreffende plattelandsgebied? Naast het algemene onderscheid tussen stad en platteland, kan er op het platteland ook weer onderscheid gemaakt worden tussen bijvoorbeeld ‘bebouwde kom’ en ‘buitengebied’, tussen extensieve en intensieve landbouwgebieden; en tussen agrarisch platteland en platteland met meer natuurfuncties. De auteurs verkennen dit onderwerp vanuit een breed perspectief, waarbij planologische, landschappelijke en bestuurlijk-juridische invalshoeken gecombineerd worden.

Noot 1: https://samenoptrekken.nl/vakbond-voor-plattelandsbewoners/

Co-auteur: Sitong Luo

Pieter Jong is docent en onderzoeker op het gebied van ruimtelijke planning en milieu, bij de Leerstoelgroep Landschapsarchitectuur en Ruimtelijke Planning van de WUR. Daarnaast is hij parttime docent milieurecht op de faculteit Bouwkunde van de TU Delft.
Sitong Luo is onderzoeker en landschapsarchitect bij het lectoraat Innovatie & Groene Stedelijke Ruimte van Aeres Hogeschool in Almere.

 

Suzan van Kempen (TNO)
René van der Lecq (Departement Omgeving / bestuurslid PlanDag) - PAPER: Ruimtepact 2040 in geopolitieke storm: klaar voor een weerbare uitvoering?

De geopolitieke context wijzigt in rap tempo. En dit is niet zonder ruimtelijke gevolgen. Een strategisch autonoom Europa vraagt ruimte voor cruciale industriële productie. De oorlog in Oekraïne vereist een Europese wapenindustrie. In de Baltische staten bestaan al plannen voor ondergrondse schuilkelders. De afkoppeling van het Russisch gas noodzaakt ons tot een versnelde omschakeling tot hernieuwbare energie en de bouw van kerncentrales. De vertroebelde relatie met de Verenigde Staten maakt de bouw van nieuwe datacentra nodig om de cloudfunctie onder Europese controle te krijgen. Dit zijn slechts enkele voorbeelden om aan te geven dat het lokaal om een stevige ruimtelijke opgave kan gaan. In onze bijdrage willen we nagaan hoe de provincie Belgisch Limburg haar ambities uit het Ruimtepact 2040 kan laten samen sporen met de ruimtelijke gevolgen van de snel wijzigende geopolitieke context. We baseren ons hiervoor op inzichten uit recent verkenningswerk en internationale rapporten (zoals het Rapport Dragi). We willen de provincie inzicht geven over sterktes en aandachtspunten in het Ruimtepact 2040 om zo suggesties mee te geven om een geopolitiek weerbare uitvoering ervan te kunnen waarborgen.

Co-auteur: Geert Mertens

Kristien Lefeber - PAPER: Ruimtelijke instrumenten om te ontharden

Ontharding is geen doel op zich, maar een cruciaal middel om Vlaanderen klimaatrobuuster te maken. Door verharding te verminderen ontstaat meer ruimte voor infiltratie, buffering, biodiversiteit en verkoeling—essentiële bouwstenen voor weerbare steden en dorpen in tijden van klimaatverandering. Ruimtelijke plannen moeten daarom zowel tijdelijk, inhoudelijk als in hun schaal voldoende veerkrachtig zijn.
Preventief ontharden gebeurt door nieuwe verharding te vermijden, te werken met waterdoorlatende materialen en groene daken, en door waardevolle open ruimte te vrijwaren. Actieve ontharding focust op het fysiek verwijderen van overtollige verharding in openbaar en privaat domein. Kansenkaarten, impact‑ en plantools, klimaatdata en nieuwe instrumenten zoals de onthardingsscanner helpen om prioritaire locaties te bepalen en beleid onderbouwd te sturen.

Overheden zetten diverse beleidsinstrumenten in om ontharding te stimuleren.
Regulerend: Ruimtelijke UitvoeringsPlannen (RUP’s) voor herbestemming van slecht gelegen bouwgronden (met steun via het BRV-fonds), verordeningen met groennormen en maxima op verharding, beperkende verkavelingsvoorschriften en toetsing aan goede ruimtelijke ordening.
Ondersteunend: beleidsplannen ruimte, groenblauwe dooradering, afwegingskaders en sloopstrategieën die een systemische omslag richting open ruimte mogelijk maken.
Sensibiliserend: tools zoals de Betonmeter, onthardingstrajecten, Green Deals en Tegelwippen vergroten draagvlak en versnellen uitvoering.
Financieel: subsidies voor ontharding, lasten bij verharding en fondsen voor strategische grondverwerving ondersteunen zowel burgers als lokale besturen.

Een toekomstgericht onthardings beleid werkt volgens ‘vermijd – verminder – compenseer’, koppelt ontharding aan andere open‑ruimte‑opgaven en integreert klimaatrobuust ontwerpen structureel in alle planprocessen.

Nienke Maas (TNO) - PAPER: We blokkeren onze eigen weerbaarheid: het planologisch noodpakket voor decentrale energie

We willen voor een grotere weerbaarheid ook in ons energiesysteem minder afhankelijk zijn van fossiele energie en van technologie, ketens en geopolitieke machten buiten Europa. Energiesystemen met meer decentrale componenten, zoals lokale opwek, opslag, warmte, flexibiliteit, lijken daarbij een logische strategie: ze spreiden risico’s, vergroten handelingsopties en laten de energievoorziening ter plaatse goed aansluiten bij ruimtelijke ontwikkeling. In de praktijk zien we echter een hardnekkige paradox: juist de oplossingen die onze weerbaarheid kunnen vergroten, lopen vast op institutionele inrichting die is ontworpen voor een gecentraliseerd energiesysteem. In dit paper laten we aan de hand van praktijkvoorbeelden zien dat de bottleneck zelden primair technisch is, maar planologisch-institutioneel: beperkte regelruimte, verouderde wetgevingslogica, en fysieke ruimteclaims die in het planproces onvoldoende zijn verankerd.
We laten vervolgens zien hoe dit vertaald kan worden naar een “planologisch noodpakket”: een set van ruimtelijke strategieën en instrumenten die planners en overheden nu al kunnen inzetten om plannen weerbaar te maken in tijd, scope en inhoud. Denk aan: structurele ruimtereservering voor energie-infrastructuur, adaptieve fasering, gebiedsgerichte programma’s, de tussenruimte.
Dit paper maakt duidelijk dat we onze eigen weerbaarheid blokkeren met regels die op efficiëntie zijn geoptimaliseerd, maar dat, als we zorgen voor institutionele ruimte, een energiesysteem dat slim gebruik maakt van decentrale elementen een realistisch en schaalbaar onderdeel van het ruimtelijk beleid voor weerbaarheid.

Co-auteurs: Xander Smit en Lieke Mulder van Transform

Louise Mazet - PRAKTIJKBESPREKING: Ondergrondse verlangens: Drie praktijken over alternatieve verlangens voor de (onder)grond in infrastructuur- en landschapstransities.

Ruimtelijk infrastructuur en landschapstransities worden vaak gekenmert door dominerende verlangens van extractie, consumptie, onteigening en exploitatie van landschappen en (onder)gronden. Wij vragen daarom welke rol kunnen alternatieve verlangens kunnen opnemen binnen de zoektocht naar meer zorgzame en weerbare ontwerpmethodes voor landschappen en (onder)gronden in ruimtelijke planning? Deze bijdrage presenteert drie case studies in de Belgische provincies Limburg en Luik waarin alternatieve verlangens en verbeeldingen van de (onder)grond worden verkend, via ontwerpend onderzoek en participatie, als tegenvoorstellen op de huidige, disruptieve verlangens voor de (onder)grond in ruimtelijke planning.

De drie cases onderzoeken alternatieve verlangens voor de (onder)grond via (1) het mijnbouw-verleden van het Kempisch Plateau, waarin fictieve boorkerninterpretaties in artistiek veldwerk op de terrils van Genk de extractieve verlangens naar steenkool in vraag stellen en herdenken, (2) de hedendaagse onteigeningen in infrastructuurproject Noord-Zuid Limburg, waarin geplande sloopprocessen een katalysator vormen voor participatieve veldexperimenten met planten uit onteigende gronden, (3) de onzekere toekomst voor de Euregio Maas-Rijn, waarin collage workshops het gesprek openen, en visueel ondersteunen, over de potentiële komst van de ondergrondse Einstein Telescoop, alsook over de verlangens en vraagstukken voor het landschap en de (onder)grond die daarbij komen kijken.
Deze bijdrage presenteert drie praktijken die samen een uitnodiging vormen voor ruimtelijke planners en ontwerpers om disruptieve verlangens voor de (onder)grond in vraag te stellen en te verbreden voorbij de gekende verlangens van extractie en exploitatie, om zo de relatie met de (onder)grond in ruimtelijke planning en ontwerp grondig te herzien.

Floris Meert (KU Leuven)

 

 

Geert Mertens (Departement Omgeving) - PAPER: Ruimtepact 2040 in geopolitieke storm: klaar voor een weerbare uitvoering?

De geopolitieke context wijzigt in rap tempo. En dit is niet zonder ruimtelijke gevolgen. Een strategisch autonoom Europa vraagt ruimte voor cruciale industriële productie. De oorlog in Oekraïne vereist een Europese wapenindustrie. In de Baltische staten bestaan al plannen voor ondergrondse schuilkelders. De afkoppeling van het Russisch gas noodzaakt ons tot een versnelde omschakeling tot hernieuwbare energie en de bouw van kerncentrales. De vertroebelde relatie met de Verenigde Staten maakt de bouw van nieuwe datacentra nodig om de cloudfunctie onder Europese controle te krijgen. Dit zijn slechts enkele voorbeelden om aan te geven dat het lokaal om een stevige ruimtelijke opgave kan gaan. In onze bijdrage willen we nagaan hoe de provincie Belgisch Limburg haar ambities uit het Ruimtepact 2040 kan laten samen sporen met de ruimtelijke gevolgen van de snel wijzigende geopolitieke context. We baseren ons hiervoor op inzichten uit recent verkenningswerk en internationale rapporten (zoals het Rapport Dragi). We willen de provincie inzicht geven over sterktes en aandachtspunten in het Ruimtepact 2040 om zo suggesties mee te geven om een geopolitiek weerbare uitvoering ervan te kunnen waarborgen.

Co-auteur: PRené van der Lecq

Liese Mertens (UHasselt) - PAPER: Dorpen in spel Spel als sociale infrastructuur. Collectieve weerbaarheid in gefuseerde gemeenten?

Weerbaarheid is uitgegroeid tot een centraal begrip in de ruimtelijke planning. Het debat verschuift hierdoor naar het introduceren van robuuste systemen, het beheersen van risico’s en het vergroten van bestuurlijke slagkracht. In recent gefuseerde gemeenten in Vlaanderen vertaalt zich dat onder meer in schaalvergroting en herstructurering van publieke infrastructuur. Tegelijk verdwijnen in deelgemeenten kleinschalige ontmoetingsplekken zoals parochiezalen, buurtlokalen en informele ontmoetingsplaatsen.

Deze bijdrage vertrekt van de vraag wat collectieve weerbaarheid betekent wanneer de alledaagse sociale infrastructuur van dorpen onder druk staat. Kan een gemeenschap weerbaar zijn wanneer plekken voor spontane ontmoeting en gedeelde praktijken verdwijnen? En welke rol kan ruimtelijke planning opnemen in het vergroten van lokale sociale netwerken?

Het concept Dorpen in spel dient als uitgangspunt voor verkennend onderzoek naar hoe speelse interventies publieke ruimte kunnen activeren en generaties en culturen met elkaar in gesprek kunnen brengen, en om toekomstige experimenten met kleinschalige sociale infrastructuur in gefuseerde gemeenten te begeleiden. Spel wordt benaderd als sociale praktijk én ruimtelijk mechanisme dat rollen, regels en interacties zichtbaar maakt en tijdelijk kan heronderhandelen, met uiteenlopende vormen: van dorps- en folkloristische evenementen zoals zeepkistenraces en touwtrekwedstrijden, tot informele ontmoetingspraktijken en hedendaagse spelvormen zoals bordspellen.
Aan de hand van enkele casestudies wordt onderzocht hoe speelse praktijken betekenis geven aan publieke ruimte en bijdragen aan nieuwe vormen van collectieve betrokkenheid. Door spel te benaderen als sociale infrastructuur opent deze bijdrage een kritische reflectie op het huidige weerbaarheidsdiscours en positioneert ze relationele weerbaarheid als expliciete opgave voor de ruimtelijke planning.

Quinten Malfait (UHasselt) - PAPER: Tussen Tekening en Dialoog: constructief vooroverleg als sleutel tot weerbaarheid

De afgelopen jaren zetten verschillende Vlaamse steden expliciet in op een cultuur van vroegtijdig en constructief overleg in ruimtelijke ontwikkelingsprojecten. Het Charter Antwerpen (2025) en het Charter Gent (2021) verankeren deze ambitie via een reeks grotendeels gelijklopende engagementen, waaronder transparantie, wederzijds vertrouwen, duidelijke rolverdeling, kwalitatieve ruimtelijke ambities en een respectvolle dialoog tussen architect, overheid en initiatiefnemer. Deze charters maken expliciet wat in de sector al langer impliciet aanwezig is en kunnen worden gelezen als een positieve trend richting meer samenwerkingsgerichte planprocessen. Tegelijk rijst de vraag in welke mate dergelijke ambities haalbaar en reproduceerbaar zijn buiten grote steden, met name in kleinere gemeenten die vaak beschikken over beperktere capaciteit en middelen. In dat licht publiceerde het Departement Omgeving al het Handreiking Vooroverleg, als ondersteunend kader voor lokale besturen.

Deze paper onderzoekt de centrale vraag of constructief vooroverleg tussen architect, adviserende overheid en ontwikkelaar kan worden beschouwd als een sleutel tot weerbaarheid in ruimtelijke besluitvorming. Weerbaarheid wordt daarbij benaderd op twee niveaus: het bestuurlijke niveau (governance, beleidsimplementatie) en het onderhandelingsniveau (procesdynamiek, conflicthantering, waardecreatie). Aan de hand van een analyse van de charters en praktijkervaringen wordt nagegaan in welke mate deze instrumenten aansluiten bij de realiteit van complexe onderhandelingsprocessen, en welke valkuilen zich daarbij mogelijk voordoen.

De paper stelt dat weerbaarheid zich manifesteert als een combinatie van flexibiliteit, duidelijkheid en voorspelbaarheid. Deze eigenschappen blijken cruciaal om vergunningstrajecten voor socio-ecologische transitieprojecten te versnellen, en zo beter gewapend te zijn tegen toekomstige maatschappelijke en ecologische crisissen.

Ferry van de Mosselaer - PAPER: Transformatie van instellingsterreinen naar veerkrachtig zorglandschappen

In Nederland staan veel zorginstellingsterreinen voor ingrijpende transformaties. Vaak gelegen in landschappelijk waardevolle en ecologisch rijke omgevingen combineren deze terreinen een hoge ruimtelijke kwaliteit met een beschermende functie voor kwetsbare bewoners, en bieden regelmatig meer ruimte dan nodig voor de (nog) aanwezige zorgfuncties. Tegelijkertijd staan deze terreinen onder toenemende druk door maatschappelijke opgaven als woningbouw, functiemenging, vermaatschappelijking van zorg en klimaatverandering. Dit leidt tot de vraag hoe deze terreinen toekomstbestendig kunnen worden getransformeerd tot veerkrachtige en dynamische zorglandschappen. Dit paper baseert zich op drie praktijkgerichte casestudies naar de transformatie van zorginstellingsterreinen. De analyse laat zien hoe transformaties sterk contextspecifiek zijn en worden gevormd door spanningen tussen verschillende schaalniveaus (terrein, omgeving, stad/regio), uiteenlopende ruimtelijke en sociale claims, en institutionele kaders rond zorg, veiligheid en grondgebruik, en ambities ten aanzien van inclusie. Transformaties manifesteren zich daarbij als emergente processen en langdurige en onzekere onderhandeling tussen actoren, waarden en verantwoordelijkheden. De inzichten uit deze casestudies zijn gedeeld en verdiept tijdens het congres De toekomst van zorginstellingsterreinen, waar zij hebben geleid tot kritische reflecties en verdiepende vragen over meervoudig ruimtegebruik, experimenteerruimte binnen regelgeving, ongelijkheid, gemeenschapsvorming en de relatie tussen zorgterreinen en hun omgeving. Het paper concludeert dat transformatieprocessen van zorginstellingsterreinen een integrale benadering vereisen, waarin ruimtelijke verandering onlosmakelijk verbonden is met sociale en culturele transformatie. Dit vraagt om praktijkgericht en casuïstisch onderzoek, aangevuld met actie- en ontwerpgerichte benaderingen die generieke principes en een lerende aanpak ontwikkelen. Daarnaast is verder academisch onderzoek nodig waarin zorg, inclusie en gezondheid expliciet worden beschouwd als ruimtelijk ordenende principes, onder meer binnen kaders als landscapes of care en caring cities

Ann Pisman (Vlaamse overheid) - PAPER: Territoriale weerbaarheid: de blinde vlek van de bouwshift

De bouwshift en het ontwikkelen binnen het bestaande ruimtebeslag zijn vandaag centrale principes van het Vlaamse ruimtelijke beleid. Deze paper introduceert territoriale weerbaarheid als aanvullend ontwikkelingsprincipe. Toenemende hybride dreigingen leiden tot doelbewuste verstoringen van vitale infrastructuren zoals energie, drinkwater, datanetwerken, zorg en logistiek. Dit zet de continuïteit van essentiële maatschappelijke functies onder druk en bedreigt fundamentele behoeften zoals lichamelijke integriteit, veiligheid en maatschappelijke zekerheid.
Vertrekkend van de nationale risicoanalyse en bestaande ruimtelijke beleidsprincipes rond vitale infrastructuur — met een sterke nadruk op bundeling op knopen en infrastructuurcorridors — verkent deze paper hoe het Vlaamse ruimtelijk beleid kan bijdragen aan een verhoogde territoriale weerbaarheid tegen bewuste verstoring. Daarbij wordt een kader gehanteerd dat territoriale weerbaarheid ontleedt in vier ruimtelijk relevante dimensies: risicoreductie, facilitering van maatschappelijke paraatheid, ruimtelijke voorwaarden voor effectieve respons en structureel herstel- en aanpassingsvermogen na verstoring.
Het huidige ruimtelijke beleid is slechts in beperkte mate gericht op het expliciet versterken van territoriale weerbaarheid, onder meer doordat niet wordt gedifferentieerd tussen vitale en niet- of minder vitale ruimteclaims. Vanuit deze vaststelling formuleert de paper principes voor een weerbaar ruimtelijk beleid waarin verdichting, meervoudig ruimtegebruik en herprogrammering expliciet worden afgewogen tegen territoriale robuustheid. Voor vitale functies kan dit gerichte ruimtelijke redundantie en mogelijk verhoogt ruimtebeslag betekenen. Hierdoor zullen niet-vitale functies moeten inkrimpen, verschuiven of worden hergeprogrammeerd. De bouwshift wordt daarbij niet verlaten, maar verdiept tot een kader dat naast ruimte-efficiëntie ook bijdraagt aan de veiligheid en continuïteit van vitale maatschappelijke functies.

Co-auteur: Peter Vervoort

Alban Pols (IDEA Consult) - PAPER: De Bouwshiftobligatie: hoe Vlaanderen de Bouwshift betaalbaar kan maken

De Vlaamse bouwshift bepaalt dat het bijkomend ruimtebeslag in Vlaanderen tegen 2040 moet worden teruggebracht tot nul. Met het Instrumentendecreet en de verhoging van de planschadevergoeding tot 100% van de venale waarde is dit niet alleen een ruimtelijke, maar ook een aanzienlijke financiële opgave, die in belangrijke mate bij lokale besturen terechtkomt. Hoewel het Lokale Bouwshiftfonds middelen voorziet, volstaat het huidige budget zeker niet om de geraamde maatschappelijke kost te dekken — tot 31,5 miljard euro volgens de Taskforce Bouwshift. Er is daarom nood aan een mechanisme dat de bouwshift financieel en bestuurlijk uitvoerbaar maakt, zonder ontwikkelingsmogelijkheden volledig stil te leggen.
Deze paper werkt een model uit voor planologische ruil via een private platformmarkt voor verhandelbare bouwrechten. Het voorgestelde systeem maakt het mogelijk om slecht gelegen bouwmogelijkheden planmatig uit te doven, terwijl ontwikkelingsrechten worden geconcentreerd op goed ontsloten en ruimtelijk geschikte locaties. Centraal staan drie randvoorwaarden: (1) een gebiedsdekkende waarderingskaart die ruimtelijke geschiktheid objectiveert, (2) een bouwrechtenkadaster dat rechten juridisch en administratief verankert, en (3) effectieve schaarste via het principe van netto nul ruimtebeslag, waardoor een marktmechanisme kan functioneren.
In deze paper onderzoeken we hoe een private platformmarkt voor bouwrechten institutioneel kan worden vormgegeven, hoe een puntensysteem de toekenning en uitwisseling van rechten kan sturen, en hoe administratie en handhaving efficiënt kunnen worden georganiseerd. We stellen daarnaast een financieel model voor voor de opstart en borging van het systeem. Tot slot analyseren we hoe dit instrument, naast de realisatie van de bouwshift, ook kan bijdragen aan bredere ruimtelijke en maatschappelijke beleidsdoelstellingen.

Franziska Quaschning (Vlaamse Vvereniging voor Ruimte en Planning)
Robin de Ridder (VRP vzw) - PAPER: Van het planningsfront geen nieuws? Oorlogsvoorbereidingen in de Lage Landen

Terwijl oorlog op het grondgebied van de Lage Landen voor velen een onvoorstelbaar idee lijkt, treft zowel de Nederlandse als de Vlaamse overheid er al de eerste voorbereidingen voor. De manier waarop de ruimtelijke planning daarvan vorm krijgt, verschilt sterk tussen beide regio’s. Om het, gelet op de context, in koudeoorlogstermen uit te drukken: Nederland kiest voor glasnost, met in 2025 de openlijke aankondiging van het plan “Ruimte voor Defensie”, een plan dat niet alleen duidelijk de ruimtebehoeften voor defensie beschrijft, maar daar zelfs publieke consultatierondes over voorziet. Vlaanderen lijkt meer heil te zien in het staatsgeheim of de militaire censuur, waarbij de ruimtelijke noden en plannen voor defensie niet alleen niet publiek gemaakt worden, maar (via ingrepen in de regelgeving) naar de toekomst toe zelfs onttrokken aan democratische controle.

Deze paper beschrijft de Vlaamse en Nederlandse oorlogsvoorbereidingen op vlak van ruimte en ruimtelijke governance, vergelijkt deze met elkaar en (waar mogelijk) met de stand van zaken in actieve oorlogszones, en trekt er bredere conclusies uit over de toestand van onze planningscultuur. Oorlog zou maskers doen afvallen: zegt de manier waarop een overheid met de (vermeende) oorlogsdreiging omgaat dan niet alles over de manier waarop ze naar haar planningssysteem kijkt?

Robin de Ridder (VRP vzw) - PAPER: We moeten het eens hebben over de vastgoedfiscaliteit

Fiscaliteit! Een onderwerp waarbij de ruimtelijk professional snel een andere bladzijde openslaat, of een andere gesprekspartner zoekt. Sexy is het niet, en voor wie met ruimtelijk ontwerp, gebiedswerking of zelfs hardcore planning bezig is lijkt het ver van de eigen bezigheden. Nochtans hebben belastingen een enorme, zij het subtiele en vaak onzichtbaar gehouden impact op onze ruimtelijke ontwikkeling.

Daarom, lieve medeplanners, moeten we even praten over de vastgoedfiscaliteit. In deze paper beschrijven we de manier waarop de Vlaamse vastgoedfiscaliteit een specifieke vorm van ruimteverspilling in de hand werkt, namelijk de overproductie van woningen. Onder het credo ‘meer bouwen = goedkoper wonen’ lobbyt de bouwsector steeds meer voor deregulering om de woningproductie te verhogen, terwijl Vlaanderen vandaag al meer dan 450.000 woningen telt die niet vast bewoond worden.
Het feit dat dat overschot steeds sneller groeit heeft de prijzen tot hiertoe niet doen dalen, en een groot deel van de bevolking blijft – hoe veel er ook bijgebouwd wordt – met woononbetaalbaarheid geconfronteerd. Intussen kan wie in vastgoed investeert op grotendeels onbelaste winst rekenen. Vergeleken met Nederland, waar echt een woningschaarste bestaat, zijn dan ook andere strategieën nodig. We betogen dat meer, sneller en verder bouwen op zich niet tot betaalbaarheid kan leiden, maar enkel tot meer ruimteverspilling. De sleutel om tot betaalbaar wonen te komen, zonder daar nog meer ruimte voor te moeten opgeven, ligt in aanpassingen aan de vastgoedfiscaliteit. Hoe saai dat woord ook mag klinken.

Co-auteurs: Nele Maes (Titaantjes collectief) & Omar Kashmiry (MEOW collective)

Beau Ritsma - PRAKTIJKBESPREKING: De laatste dans

Rituelen zijn sterke sociale verbinders in de maatschappij en spelen een belangrijke rol bij overgangen, afscheid en voortzetting. Ook in de gebouwde omgeving vinden dergelijke overgangen voortdurend plaats. Door gebruik verzamelen gebouwen in de loop der tijd een geschiedenis van verhalen en betekenissen, waaraan mensen zich op verschillende manieren hechten. In een overgangsfase kan een ritueel helpen om verandering collectief te markeren en beleefbaar te maken.

De Laatste Dans is een sociaal bouwritueel, ontwikkeld voor de ontwerpwedstrijd van Buro Bouwrituelen, waarin het overgangsmoment van een gebouw centraal staat. Het fungeert zowel als middel én als voortzetting en overbrugt de tegenstrijdigheid tussen de permanente aard van bouwen en het fluïde karakter van gebruik. Het ritueel markeert geen begin of einde, maar een verschuiving naar een volgende fase waarin geschiedenis, verhalen en herinneringen worden meegenomen.

Het sociale bouwritueel is ontwikkeld op basis van een onderzoek waarin religieuze, culturele, ruimtelijke en vastgoedmatige perspectieven zijn geclusterd. Deze gelaagde onderzoeksopzet concentreert zich op drie samenhangende topics: de focus tussen afscheid en nieuw leven, de verschijningsvorm van het afscheid en het artefact dat daarin een rol speelt.

Door verschillende perspectieven te verweven en te vertalen naar één rituele structuur maakt het onderzoek inzichtelijk hoe sociale betekenis vorm kan krijgen binnen ruimtelijke transformatie. De Laatste Dans is een ontwerpvoorbeeld dat kan bijdragen aan een veerkrachtige relatie tussen gebouw, gebruikers en hun omgeving.

Co-auteur: Nico Schram

Allard Roest (Hanze/RUG) - PAPER: Het peilen van de Nederlands-Adaptatie-Progressie (NAP), schieten we te kort in onze voorbereidingen op extreem weer of stijgt het peil voldoende richting 2050?

Sinds 2018 zetten Nederlandse overheden zich in om “iedere schop klimaatadaptief” uit te voeren, met de ambitie om via de cyclus van ruimtelijke ontwikkeling, herontwikkeling, beheer en onderhoud in 2050 klimaatadaptief te zijn. Maar in de praktijk zien wat dat het implementeren van klimaatadaptieve voorzieningen vaak moeizaam verloopt door gebrek aan ruimte, kennis of kapitaal. Dus enerzijds hebben we grote ambities maar ervaren we dat het moeilijk is om de publieke ruimte klimaatadaptief in te richten. Anderzijds zien we dat extreem weer niet stopt bij de perceelsgrens en dat de eigenaren en gebruikers van ruimte grotendeels bepalen hoe overlast door extreem weer wordt ervaren. Samen leidt dit tot een situatie dat we proberen klimaatadaptieve maatregelen te implementeren in de 40 procent van ruimte met de grootste planningsdichtheid. Terwijl de andere 60 procent van de ruimte, een belangrijke bron van riooldruk en hitte-eilanden, slechts incidenteel en op vrijwillige basis wordt betrokken bij klimaatadaptatieve plannen. In ons onderzoek hebben we gekeken hoe verschillende gemeenten klimaatadaptatie definiëren in beleids- en uitvoeringsprogramma’s en welke maatregelen/instrumenten ze selecteren in dit kader. Daarnaast hebben we gekeken waar uiteindelijk deze maatregelen/instrumenten worden ingezet in relatie tot de problematiek van extreem weer, ruimtelijke en sociaal-economische kenmerken. Zo proberen we rode draden te vinden in hoe overheden en private actoren samen kunnen werken om klimaatadaptatie op zowel de korte- als lange termijn te borgen.

Fenna Rooijakkers (Avans Hogeschool)

 

 

Cis Schraeyen (UHasselt)

 

 

Sarah Sinan Op De Beeck (Departement Omgeving)
Rebecca Smink (VenhoevenCS en JongBNSP) - PAPER: Zachte waarden in gebiedsontwikkeling

Binnen het ruimtelijk domein winnen begrippen als sociale cohesie, brede welvaart, rechtvaardigheid en sociale weerbaarheid steeds meer aan belang in gebieds- en ontwikkelvisies. Deze overlappende concepten worden vaak gevat onder ‘zachte waarden’. Hoewel zachte waarden steeds vaker worden genoemd als sleutel voor duurzame gebiedsontwikkeling, komt de ontwikkeling van deze waarden ondanks de beste bedoelingen vaak nog niet goed van de grond.

Dit onderzoek richt zich daarom op de vraag welke mechanismen de realisatie van zachte waarden in gebiedsontwikkeling belemmeren, en hoe deze kunnen worden doorbroken. Daarbij wordt specifiek gekeken naar gebiedsontwikkelingen rond stedelijke knooppunten, waar complexe ruimtelijke, sociale en economische opgaven samenkomen.

Aan de hand van een literatuurstudie worden belemmerende mechanismen geïdentificeerd. Vervolgens worden praktijkcases geanalyseerd waarin zachte waarden expliciet zijn geïntegreerd in gebiedsontwikkeling, om inzicht te krijgen in succesvolle strategieën. De analyse focust op financiële mechanismen, beleidskeuzes, organisatorische inrichting en de rol van stakeholders.

Al met al biedt dit onderzoek een praktisch en inspirerend kompas om maatschappelijke waarden blijvend een plek te geven in gebiedsontwikkeling, en zo steden te bouwen die sociaal sterker, veerkrachtiger en inclusiever zijn.

Co-auteur: Francien Fons (BVR)

Egbert Stolk (Saxion) - PAPER: De Onzichtbare Opgave: Participatie als Schaalbrug in de Energietransitie.

In tegenstelling tot tastbare ruimtelijke opgaven zoals woningbouw, is de energietransitie een fenomeen dat lastig intuïtief te duiden is. Het energiesysteem blijft vaak een ‘black box’ waarbij de bewoner de vertrouwde functie (zoals een warme radiator) loskoppelt van het onderliggende complexe mechanisme (zoals de werking van een warmtenet of netcapaciteit). Deze ‘Illusion of Explanatory Depth’ zorgt voor een fundamentele barrière: burgers haken af omdat de verbinding tussen hun dagelijkse leefwereld en de abstracte systeemwereld ontbreekt. Echte maatschappelijke weerbaarheid vereist dat we deze schalen niet als losstaand zien, maar als onlosmakelijk verbonden. In ons vignettenonderzoek onder jongeren en ‘gehaaste gezinnen’ onderzoeken we participatie daarom als een schaalbrug: een mechanisme dat abstracte doelen vertaalt naar lokale waarden en vice versa. De drie geteste dimensies fungeren hierbij als schakelpunten: • Ruimte & Tijd: Hoe fungeert een concreet lokaal project als ankerpunt om begrip te kweken voor regionale langetermijnstrategieën? • Setting: Hoe kan een informele setting de drempel verlagen om de dialoog over complexe, institutionele beleidskeuzes aan te gaan? • Kennis & Perspectief: Hoe overbruggen we de kloof tussen de behoefte aan ‘ontzorging’ en de noodzaak tot grip op de technische complexiteit? Onze resultaten laten zien dat weerbaarheid in de planologie ontstaat wanneer we inwoners niet ‘opsluiten’ in de nabijheid, maar hen begeleiden in de sprong van het concrete naar het abstracte. Door de onzichtbare energieopgave via deze ‘schaalbruggen’ te duiden, bouwen we aan een rechtvaardiger en robuuster draagvlak voor de transitie.

Co-auteurs: Max van Tongeren en Anouk van Twist

Kobe Tilley (Universiteit Gent) - PAPER: When planning becomes adaptive? Formal planning meets temporary use of space

Traditional European planning systems are regarded to based on strategic, regulatory and operational levels. However, these formal planning levels and their respective instruments are often not regarded to be very sensitive and considerate in their approach to aspects of time, temporality and outlooks at the future. In the context of Flemish planning, we continue to make use of the territory-wide land use plans that were developed in the 1970s. We still depend on spatial structure plans dating from the late 1990s, and discussions about its successor have been ongoing for over ten years. Often, the most significant discussions concerning ‘time’ focus on accelerating processes, from zoning plans to permitting procedures. However, outside of the traditional triptych planning approach, many practices are emerging that consider different temporalities. Specifically, this paper studies the practice of ‘temporary use of space’ (TU), which is primarily a practice bound by temporal dimensions. This practice has emerged significantly over the past two decades, yet it has often remained outside of the traditional and formal planning system. However, we are seeing an emerging convergence between ‘soft practices’ such as TU and traditional planning approaches. In this paper, we examine three examples of instruments from the respective tryptich planning levels that seek an approximation to temporary use. We question whether the approximation between traditional instruments and the practice of temporary use is emblematic for a different approach to temporality and end-state planning, or if traditional planning merely tries to institutionalise and instrumentalise TU.

Bert Timmermans (Endeavour) - PAPER: Omgevingsrechtvaardigheid als meerlagig analysekader: structurele mechanismen, capabilities en sociaal-ecologische grenzen in de Vlaamse ruimte

In tijden van ecologische transitie klinkt de oproep tot omgevingsrechtvaardigheid steeds luider. Internationale beleidskaders zoals de Europese Green Deal en de Zero Pollution Agenda benadrukken dat transitiebeleid niet enkel milieudruk moet reduceren, maar ook sociale ongelijkheden niet mag verdiepen. In Vlaanderen krijgt dit een bijzondere scherpte: ruimtelijke beleidsambities rond verdichting, mobiliteit, renovatie en klimaatadaptatie vergroten de collectieve weerbaarheid, maar genereren tegelijk verdelingseffecten die ongelijk neerslaan. Omgevingsrechtvaardigheid vormt daarom een analytische sleutel om te begrijpen wie in transities sneller profiteert, wie vooral lasten draagt, en hoe ruimtelijke structuren de (on)mogelijkheden tot aanpassing bepalen. Deze paper bouwt voort op het theoretische hoofdstuk van het rapport omgevingsrechtvaardigheid en structureert de inzichten langs drie complementaire reflectielijnen. Samen maken ze zichtbaar dat omgevingsrechtvaardigheid geen eendimensionaal verdelingsvraagstuk is, maar het resultaat van interacties tussen structuren, leefwerelden, schaalniveaus en tijdsdynamieken. Een structurele reflectie brengt de onderliggende mechanismen in beeld die ruimtelijke ongelijkheid produceren en reproduceren: grondprijsdynamieken, vastgoedmarktwerking, historische infrastructuurlogica’s, beleidsmatige padafhankelijkheden en eigendoms- en fiscale regimes. Een capabilities-reflectie verschuift de aandacht van formele toegang naar reële benutting. Aansluitend bij Sen en Nussbaum is de kernvraag niet of voorzieningen, infrastructuur of beleidsinstrumenten bestaan, maar wie ze effectief kan gebruiken, gegeven tijdsdruk, zorglast, psychosociale drempels, digitale competenties, sociale netwerken en vertrouwen in instituties. Een sociaal-ecologische reflectie verbindt sociale ondergrenzen met ecologische bovengrenzen via Raworths Donutmodel, en maakt spanningen expliciet tussen milieudoelen en leefkwaliteit, inclusief de verdeling van lasten en baten van transitiebeleid. De paper positioneert deze drie reflecties als een analytisch raamwerk om weerbaarheid te begrijpen als een ongelijk verdeelde ruimtelijke capaciteit binnen het Vlaamse omgevingsbeleid.

Co-auteur: Jonas De Maeyer

Tess Tjokrodikromo (TNO) - PAPER: Transitieteams als aanjager van stedelijke weerbaarheid: innovatiecapaciteit voor missiegedreven klimaattransities

Europese missiesteden naderen een cruciale fase in hun streven naar klimaatneutraliteit in 2030. Na het opstellen van hun Climate City Contracts (CCC’s) verschuift de focus van planvorming naar implementatie. De implementatiefase brengt complexe uitdagingen met zich mee en vraagt om versterking van hun innovatiecapaciteit: het vermogen van publieke organisaties om innovatie te ondersteunen, te organiseren en te verankeren in hun dagelijkse praktijk. Dit innovatief vermogen vormt een essentiële basis voor de bestuurlijke en organisatorische weerbaarheid die nodig is om met onzekerheid, druk en complexiteit om te gaan.

In dit artikel verkennen we transitieteams als doelgroep voor het versterken van innovatiecapaciteit en als strategische interventie binnen missiegedreven governance. Transitieteams vormen de schakel tussen strategie en uitvoering, sturen stakeholders aan en zetten missieambities om in concrete acties. Daarvoor hebben zij baat bij verbindend leiderschap, structurele kennisdeling en sterke netwerken. Tegelijkertijd versterken transitieteams zelf het innovatief vermogen van organisaties doordat zij nieuwe werkwijzen initiëren en reflexief leren stimuleren.

We bouwen voort op Doci et al. (2025), die de CCC-governancefuncties (coördinatie, co-creatie, anchoring en governance learning) definiëren als kernprocessen binnen missiegedreven stedelijke transities. We bekijken deze functies door de lens van innovatiecapaciteit, gekoppeld aan inzichten uit eerder onderzoek met Oslo en Gothenburg. Deze vergelijking laat zien dat de governancebarrières structurele uitingen zijn van onvoldoende innovatiecapaciteit. Door transitieteams te versterken en strategisch te positioneren, vergroten organisaties hun uitvoeringskracht en veerkracht om transitie-uitdagingen het hoofd te bieden. Werken aan innovatiecapaciteit, met transitieteams als aanjager, wordt daarmee essentieel om omvangrijke plannen te vertalen naar de stedelijke praktijk.

Co-auteur: Marjolein Heezen (TNO)

Gert Vandermosten - PRAKTIJKBESPREKING: Denken vanuit de bodem – gebruik van de koolstofbalans in planning

In de transitie naar klimaatbestendige infrastructuur en een weerbare samenleving groeit het besef dat de bodem een cruciale rol speelt in zowel mitigatie als adaptatie. Toch wordt de invloed van ondergrond en bodemprocessen in planvorming vaak onderschat. Hierdoor blijven de effecten van infrastructuurprojecten op bodemkoolstof en CO₂‑stromen meestal onderbelicht. Deze bijdrage introduceert het concept denken vanuit de bodem via een koolstofbalans: een geïntegreerd instrument dat positieve en negatieve koolstofeffecten van infrastructuurprojecten systematisch in kaart brengt. De koolstofbalans verbreedt het klassieke klimaatperspectief door vier emissiebronnen te betrekken: koolstofverliezen uit de bodem door verstoring of verharding; CO₂‑uitstoot uit mobiliteit als gevolg van nieuwe of verbeterde infrastructuur; bijkomend energieverbruik tijdens aanleg en gebruik; en ingebedde emissies in materialen zoals cement en beton. Daarnaast houdt de balans rekening met potentiële koolstofopslag via bodemvernatting, bosuitbreiding of ‑omvorming, nature‑based solutions en carbon‑farmingtechnieken. Dit toont aan dat koolstofrijke systemen zoals graslanden, bossen en natte natuur prioritair te behouden zijn. Door negatieve en positieve CO₂‑effecten te combineren ontstaat een genuanceerd afwegingskader dat ontwerpers, planners en beleidsmakers ondersteunt bij het sterk reduceren van de klimaatimpact van infrastructuur. De koolstofbalans dient niet alleen als meetinstrument, maar vooral als denkkader dat de bodem centraal zet in ruimtelijke keuzes. Zo evolueert infrastructuurplanning van een louter technische benadering naar een geïntegreerde, bodemgerichte strategie die ecologische meerwaarde en maatschappelijke winst creëert. Deze bijdrage toont hoe de koolstofbalans concreet toepasbaar is in Vlaanderen en welke kansen dit biedt voor klimaatpositieve infrastructuurontwikkeling en verhoogde weerbaarheid.

Jakob Vandevoorde (Endeavour & VUB) - PAPER: Expliciet rechtvaardig: verdelingsprincipes op de Turnhoutsebaan

De modal shift in Vlaanderen verloopt stroef. Autorestrictief beleid leidt steeds vaker tot conflicten, waarbij projecten worden geframed als een strijd tussen winnaars en vermeende verliezers die hun claims bij media en politiek luid laten klinken als onrechtvaardigheid. Dit wijst op een fundamenteel probleem. Mobiliteitsplanning is geen louter technische, politieke of participatieve opgave, maar een normatief (her)verdelingsvraagstuk waarin ruimte en middelen worden toegewezen aan specifieke groepen of vervoersmodi. Hoewel rechtvaardigheid vandaag een centraal begrip is in de stedenbouw en mobiliteitsplanning, ontbreekt het aan operationele kaders om dit bespreekbaar te maken. Bestaande studies stellen hoofdzakelijk ongelijkheden vast, maar onderbouwen zelden waarom deze als onrechtvaardig moeten worden beschouwd noch geven ze een gemeenschappelijk idee welke rechtvaarigheidsprincipes dan daadwerkelijke moeten worden toegepast voor herverdeling. Zonder expliciete normatieve onderbouwing met bijhorende procedures dreigt duurzaam mobiliteitsbeleid bestaande machtsverhoudingen en ongelijkheden te reproduceren. Endeavour en COSMOPOLIS startten daarom een methodisch onderzoek, beginnend bij de heraanleg van de Turnhoutsebaan in Antwerpen. Met bevragingen en diepte-interviews gaan we op zoek naar de impliciete opvattingen over rechtvaardigheid die het project stuurden en het debat domineerde. Zo krijgen we grip op de perceptie van eerlijkheid en rechtvaardigheid en belichten we hoe deze botsen op ongelijke machtsverhoudingen of pragmatisme bij beleidsmakers en burgers. Het vierjarig traject combineert praktijkgericht en academisch onderzoek en ontwikkelt instrumenten om rechtvaardigheidsdiscussies werkbaar te maken. De perspectieven die hieruit voortkomen bieden aanknopingspunten om conflicten te beheersen, beleid weerbaarder te maken voor polarisatie en uiteindelijk de modal shift te versnellen.

Leen Vansteenkiste - PAPER: Op grond van weerbaarheid: een participatief veldexperiment in nomadisch ontwerpen met onteigende gronden.

Hoe maken we plaats en tijd voor grond in ons planologisch noodpakket waarmee we onze weg zoeken in een klimatologisch en politiek onzeker ruimtelijk verleden, heden en toekomst? Een weerbaar ruimtelijk beleid is onlosmakelijk verbonden met de gronden waarop ruimtelijke planning zich manifesteert. Biodiversiteit, ontharding en circulariteit vormen als maar urgentere thema’s binnen een ruimtelijke planning gekenmerkt door klimaatuitdagingen en socio-ecologische transities. Weerbare gronden kunnen we tot bondgenoten maken in klimaattransities. Ze zorgen voor een arsenaal aan bodemleven, koolstofopslag en waterinfiltratie. Hoe zorgen ruimtelijke planners voor weerbare gronden in de ruimtelijke planning?

Dit onderzoek presenteert een nomadische strategie om onteigende gronden, en hun bodemleven (struiken, bomen), duurzamer en zorgzamer te betrekken in transitieproject Noord-Zuid Limburg (NZL). Dit project betreft het herontwerp van de weg Hasselt-Eindhoven dat gepaard gaat met onteigeningen, sloop van tuinen en tunnelconstructies, waardoor gronden – als vitale leefomgevingen voor planten en organismen – verstoord worden door grootschalige sloop en extractie. Echter, duurzaam en zorgzaam ontwerpen met grootschalige hoeveelheden grond is nieuw en technisch terrein voor ruimtelijke planners in NZL. In relatie tot de technische vraagstukken, benadrukt dit onderzoek het belang van kleinschalige, participatieve proefopstellingen die ruimtelijke planners kunnen inspireren, lokale bewoners activeren en overheden aanmoedigen om duurzamer en zorgzamer met elementen van onteigende gronden (struiken, bomen) te ontwerpen, vooraleer sloop plaatsvindt. Om inzicht te geven in hoe deze proefopstellingen het technische proces kunnen openbreken tot een zorgzamer proces, beschrijft dit onderzoek het nomadische veldexperiment ‘struikroven’: een participatieve actiedag waarop deelnemers planten kunnen redden van de sloop uit onteigende tuinen.

Bert Verleysen (UHasselt) - PAPER: Samen ruimte genereren voor weerbaarheid: waarderend weefwerk in planning en beleid – Generating Relational Space for Resilience in Planning and Policy

Calamiteiten zoals een ontwrichtende COVID-19-pandemie of de verwoestende overstromingen als gevolg van waterbommen verscherpten de kwetsbaarheden in de samenleving. Tegelijkertijd toonden zij een kracht van samenlevingen die in reguliere beleids- en planningskaders zelden centraal staat: het vermogen om, juist in tijden van ontwrichting, verder te gaan via spontane samenwerking, diep lokaal verankerd in straten en buurten.

Met deze ervaringen groeit de behoefte voor een vernieuwde kijk op de wisselwerking tussen calamiteiten, weerbaarheid en veerkracht. Geïnspireerd door het relationeel constructionisme benaderen wij dit vraagstuk vanuit een focus op hoe mensen dingen met elkaar doen in en met hun context. Vanuit dit perspectief zijn deze gebeurtenissen en bijbehorende reacties geen losstaande processen of individuele acties. Het gaat om dynamieken binnen een breder geheel, begrepen als het weefwerk tussen mensen onderling en tussen mens en de meer- dan-menselijke wereld. Hierbij begrijpen wij calamiteiten, weerbaarheid en veerkracht als een emergent interactioneel gebeuren van dat breder weefwerk.

Aan de hand van wetenschappelijk onderzoek en micro-praktijkvoorbeelden richten wij ons op dit dynamisch weefwerk als basis voor het relationeel kader van een generatieve weerbaarheid binnen ruimtelijke ordening. Dit kader is geworteld in een partnerschap van alle actoren – menselijk en meer-dan-menselijk. Verbindende en waarderende relationele praktijken – open dialoog, wederkerige betrokkenheid en generatieve co-creatie – dragen bij aan een gedeeld eigenaarschap van beheer van en zorg voor de ruimte. Wat wordt mogelijk als de planningstafel niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk midden tussen die betrokken actoren wordt geplaatst, terwijl we samen luisteren naar wat de omgeving ons te vertellen heeft?

Co-auteurs: Wim Voordeckers, Frank Lambrechts, Rüveyda Kelleci, Styn Grieten

Cedric Vervaet (Antea Group) - PRAKTIJKBESPREKING: Hoe robuust is uw strategische visie? Megatrends als stresstest in strategische plan-MER van gemeentelijke ruimtelijke beleidsplannen.

Strategische visies in gemeentelijke beleidsplannen schetsen een toekomstbeeld op lange termijn. Ze formuleren ambities, richtinggevende principes en ontwikkelingsperspectieven. Maar hoe robuust zijn die ambities in een wereld van klimaatverandering, demografische verschuivingen, energie- en grondstoffentransities? En hoe toets je dat op een passend abstractieniveau?
In deze praktijkbijdrage stellen we een megatrendsbenadering voor als instrument binnen strategische plan-MER’s. De methodiek vertrekt van zes mondiale megatrends (o.a. klimaat, demografie en systeemtransities) en vertaalt deze naar hun lokale manifestatie. Die worden vervolgens geanalyseerd binnen vier kritische maatschappelijke systemen: ruimtelijke ordening, mobiliteit, energie en productie/consumptie.
De strategische visie wordt niet klassiek beoordeeld op directe milieueffecten, maar onderworpen aan een robuustheidscheck: verzwakken de voorgestelde ambities de negatieve effecten van deze trends, of versterken ze deze effecten onbedoeld? Waar zitten blinde vlekken? Waar liggen strategische hefbomen?
Deze ‘stresstest’ verschuift de focus van louter effectbeschrijving naar systeemdenken en veerkracht. Ze maakt risico’s en opportuniteiten zichtbaar vóór ze verankerd worden in beleidskaders of uitvoeringsinstrumenten.
Aan de hand van concrete gemeentelijke beleidsplannen tonen we hoe deze aanpak werkt in de praktijk, welke meerwaarde ze biedt voor beleidsmakers én waar de methodologische grenzen liggen. De praktijkbespreking nodigt uit tot debat: moet strategische milieubeoordeling explicieter inzetten op transitie en systeemverandering?

Peter Vervoort - PAPER: Territoriale weerbaarheid: de blinde vlek van de bouwshift

De bouwshift en het ontwikkelen binnen het bestaande ruimtebeslag zijn vandaag centrale principes van het Vlaamse ruimtelijke beleid. Deze paper introduceert territoriale weerbaarheid als aanvullend ontwikkelingsprincipe. Toenemende hybride dreigingen leiden tot doelbewuste verstoringen van vitale infrastructuren zoals energie, drinkwater, datanetwerken, zorg en logistiek. Dit zet de continuïteit van essentiële maatschappelijke functies onder druk en bedreigt fundamentele behoeften zoals lichamelijke integriteit, veiligheid en maatschappelijke zekerheid. Vertrekkend van de nationale risicoanalyse en bestaande ruimtelijke beleidsprincipes rond vitale infrastructuur — met een sterke nadruk op bundeling op knopen en infrastructuurcorridors — verkent deze paper hoe het Vlaamse ruimtelijk beleid kan bijdragen aan een verhoogde territoriale weerbaarheid tegen bewuste verstoring. Daarbij wordt een kader gehanteerd dat territoriale weerbaarheid ontleedt in vier ruimtelijk relevante dimensies: risicoreductie, facilitering van maatschappelijke paraatheid, ruimtelijke voorwaarden voor effectieve respons en structureel herstel- en aanpassingsvermogen na verstoring. Het huidige ruimtelijke beleid is slechts in beperkte mate gericht op het expliciet versterken van territoriale weerbaarheid, onder meer doordat niet wordt gedifferentieerd tussen vitale en niet- of minder vitale ruimteclaims. Vanuit deze vaststelling formuleert de paper principes voor een weerbaar ruimtelijk beleid waarin verdichting, meervoudig ruimtegebruik en herprogrammering expliciet worden afgewogen tegen territoriale robuustheid. Voor vitale functies kan dit gerichte ruimtelijke redundantie en mogelijk verhoogt ruimtebeslag betekenen. Hierdoor zullen niet-vitale functies moeten inkrimpen, verschuiven of worden hergeprogrammeerd. De bouwshift wordt daarbij niet verlaten, maar verdiept tot een kader dat naast ruimte-efficiëntie ook bijdraagt aan de veiligheid en continuïteit van vitale maatschappelijke functies.

Co-auteur: An Pisman

Bas Waterhout (Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli)) - PAPER: Gecoördineerde differentiatie: Nederlandse nationale ruimtelijke ordening op zoek naar grip

Nadat begin jaren ’00 een einde was gekomen aan de vermaarde Nederlandse ruimtelijke planningdoctrine, worden sinds 2015 gaandeweg weer stappen gezet naar een nieuwe nationale ruimtelijke ordening. De ontwerp-Nota Ruimte van september 2025 is een voorlopig hoogtepunt in die come back. Ruimtelijke ordeningminnend Nederland ontving de Nota met zowel enthousiasme, vanwege de ambitie, alsook met enige teleurstelling, vanwege de inhoud en het ontbrekende perspectief op uitvoering.
Hoewel de teleurstelling begrijpelijk is, waren de verwachtingen wellicht wel wat hooggespannen. Ga maar na. Sinds de teloorgang van de planningdoctrine is de ruimtelijke ordening gedecentraliseerd naar de provincies, is er met de Omgevingswet sprake van een nieuw wettelijk kader, dient zich een nieuw geopolitiek speelveld aan, heeft Nederland zich verder ontwikkeld tot een neoliberale markteconomie waarin de balans tussen overheid, markt en maatschappij diffuus is en zijn traditionele meekoppelende belangen als volkshuisvesting verdwenen. Ondertussen is de druk op de ruimte groter dan ooit.
Nederlandse nationale ruimtelijke ordening moet als het ware opnieuw worden uitgevonden. Dit paper beoogt eerste inzichten te bieden van die nieuwe nationale ruimtelijke ordening. Maar vooral beoogt het paper een aanzet te bieden tot het ontwikkelen van een onderzoekskader, een lens, waarmee de huidige en toekomstige ontwikkelingen kunnen worden geduid. Welke ruimtelijke concepten en principes ontstaan? Welke visie(s) op sturing, onderliggende waarden en toekomstbeelden van Nederland beïnvloeden het ruimtelijk denken? Krijgt Nederland al grip op haar eigen ruimtelijke ontwikkeling?

Bart de Zwart (Hanze / bestuurslid PlanDag)