plandag 2022
skyline brussel

deelnemers 2022

Tot nu toe hebben de onderstaande personen zich opgegeven:
Jürgen Van Acker: Bubbels in Brussel: Marollen

De bedoeling van het tijdelijke inrichtingsproject “Pas-Laid” was om de appropriatie van de “moeilijke kant” van de Hellingen van het Justitiepaleis – een van de meest formele ruimten van Brussel, gelegen op de grens tussen Hoog- en Laagstad – door de bewoners van de centrumwijk Marollen te bevorderen. Voor de studenten achter dit research by design project is het vooral de studie van de publieke ruimten in de Marollen en meer bepaald zgn. “borderlands”: ruimten met een interface-potentieel tussen leefomgevingen in ruime zin, alsook tussen mensen en groepen van mensen… een zone dus waar mensen uit hun bubbels kunnen breken, een sluis tussen leefomgevingen. Aan de hand van meubelen voor de publieke ruimte, die specifiek ontworpen waren om de meest verscheiden borderland-belevingen te faciliteren en daarbij ook rekening hielden met formele bubbels (politioneel-tactisch, Covid, veiligheid,…), en een monumentaal community painting project, werden systematische observaties gedaan en werd het gebruik van deze “nieuwe” publieke ruimte opgevolgd. Deze research by design bracht heel wat nieuwe “bubbels” aan het licht. De paper trekt ruimtelijke conclusies met betrekking tot de bubbels en de interacties en poogt een aantal bruikbare suggesties te doen, vanuit een decennialange juridische ervaring, met betrekking tot het werken met wettelijke en administratieve bubbels, alsook met betrekking tot het vermijden van bijkomende bubbels (o.a. eco-elitaristische en andere socio-economische en culturele). De data worden tevens gebruikt in de masterthesis voor het academiejaar 2021-22 die een “urban value chain” in de Marollen poogt te ontwerpen.

Alda: Parels van creativiteit

Anno 2022 worden de agenda’s van de markt en politiek bepaald door de transities rondom gezondheid, mobiliteit, klimaat en economie. Gemeenschappen die creatief en innovatief met die uitdagingen omgaan zijn niet alleen robuust genoeg om ze te absorberen maar kunnen problemen die op ze af komen ook tijdig herkennen en adresseren. Om de veerkracht in een gemeenschap te ontwikkelen, zijn plekken nodig waar opgaven, middelen, mensen en ideeën bij elkaar komen. Een plek waar bubbels worden doorbroken. Bijna iedere stad kent wel een aantal plekken, zoals broedplaatsen, waar kunstenaars, makers, ontwerpers bij elkaar komen om te creëren en waar bubbels worden doorbroken. Het zijn locaties waar ontmoeting tussen groepen inwoners en professionals tot stand komt; waar innovatie, kruisbestuiving en cultuur worden geproduceerd. Wat opvalt is dat deze parels van creativiteit en ontmoeting vaak zelf als bubbel functioneren ondanks de vele en diverse verbindingen die ze tot stand brengen. Veel broedplaatsen hebben de reputatie een gesloten bolwerk te zijn. Dit maakt hun bubbel kwetsbaar. Creatieve vrijplaatsen staan regelmatig onder druk door krachten van buiten de invloedssfeer van hun organisatie. In dit artikel onderzoeken we de veerkracht van de organisaties die de creatieve plekken beheren en welke strategieën er nodig zijn om in een verhitte vastgoedmarkt te overleven en condities te scheppen voor de makers, kunstenaars en de processen die er plaatsvinden.

Eline Baert
Helena Bieseman, Departement Omgeving: Het Ruimterapport 2021. Een rapport over de (trage) veranderingen van de ruimte in Vlaanderen, maar ook een verhaal over nieuwe (minder) ruimtelijke thema’s die steeds belangrijker worden.

Eind 2021 stelden we, het Vlaams Planbureau voor de Omgeving, het tweede Ruimterapport (RURA) voor aan de pers en aan een ruim publiek. De presentatie verliep in twee bubbels. Een uitverkoren beperkt publiek volgde fysiek in de voormalige ‘Kapel der conventuelen’ in de Sancta Maria School in Leuven. Een mooi voorbeeld van een intensief ruimtegebruik (zie website ). Een digitale bubbel van toehoorders zat verspreid over Vlaanderen aan hun computerschermen gekluisterd. Het tweede Ruimterapport heeft eigenlijk een misleidende titel. Enerzijds beschrijft het in een aantal hoofdstukken de veranderingen in de ruimte in Vlaanderen, en de ruimtelijke instrumenten die hieraan hebben bijgedragen. Anderzijds breekt het tweede Ruimterapport uit de ruimtelijke bubbel van het vakgebied. Door de analyse niet aan te vliegen vanuit een klassieke sectorale lezing van de ruimte (wonen, werken, voorzieningen, open ruimte, …) maar wel vanuit brede beleidsuitdagingen als: natuurlijk kapitaal beschermen, stromen verduurzamen of gezonde leefomgeving waarborgen, komen heel wat nieuwe omgevingsvraagstukken naar boven. In de paper voor de Plandag 2022 worden de meest sprekende, minder ruimtelijke analyses uit het Ruimterapport hernomen. Uiteraard is de ruimtelijke benadering nooit helemaal verdwenen. De analyses worden in kaarten van Vlaanderen vertaald, maar tegelijkertijd analyseren we niet louter fysieke veranderingen op niveau van het maaiveld maar brengen we ook stromen, lagen en voorraden in beeld. Hierdoor kunnen we nieuwe spanningsvelden en nieuwe verbindingen concreet benoemen voor Vlaanderen, breder dan de klassieke ruimtelijke bubbel.

Martijn van den Bosch, vastgoedbeheerder bij Mitros
Amber Bosse, Junior adviseur bij Public Mediation: Ruimte voor waarden: het in kaart brengen van buurtervaring bij veranderingen in de leefomgeving (werktitel!)

De energie transitie zorgt voor grote ruimtelijke veranderingen in de leefwereld van bewoners. Hoewel de keuze voor groene energie op veel medestanders kan rekenen, loopt juist de uitvoering van duurzame plannen geregeld uit op protest. Waar onvrede een opening zou kunnen vormen voor een zinnig debat, blijkt de ruimte waarbinnen het gesprek over de energie transitie gevoerd mag worden krap. Starre en van bovenaf opgelegde ‘waardenkaders’ opgetuigd met regels en procedures bepalen voor een groot deel de inhoud van de aangedragen zorgen. Gezondheid, betaalbaarheid, recreatie en waardedaling; de meeste betrokken beleid- en planmakers kunnen de gebruikelijke topics inmiddels dromen. Maar niet alle waarden laten zich vangen in deze thematische afbakening, net zoals niet elk argument zich laat indelen als vóór- of tegen een bepaalde ontwikkeling. Het missen van deze nuances is logisch (want: haast en een drang naar representativiteit en draagvlak), maar ook zonde. Uit een waardenonderzoek naar buurtervaring (‘Context Mapping’) in Amsterdamse windzoekgebieden blijkt dat er veel verscholen ligt in details. Een voorbeeld is dat ‘gezondheid’ ook sociale gezondheid betekent, zoals de verbinding tussen bewoners in de wijk. Of dat waardedaling ook gaat over het verdwijnen van buurtvoorzieningen door het wegtrekken van welvarende bewoners. Daarnaast zijn er categorieën die zich in het algeheel lastig laten plaatsen, zoals nostalgie en identiteitsbehoud. ‘Operationalisering’ van deze waarden (het meetbaar maken en communiceren ervan) blijkt in de praktijk lastig, mede door dat ze niet passen binnen de gestelde frames. Het inzetten van de ‘Context Mapping’ methode kan hier een antwoord op zijn. In dit paper wordt deze methode en de mogelijke opbrengsten hiervan verder verkend aan de hand van literatuur en praktijkvoorbeelden.

Kobe Boussauw, Vrije Universiteit Brussel - Cosmopolis Centre for Urban Research: De ‘essentiële economie’: een sociaal rechtvaardige onderlegger voor de 15 minutenstad?
In deze paper onderzoeken we hoe we het concept van ‘de 15 minutenstad’ kunnen verenigen met de doelstellingen van de ‘essentiële economie’. In het kort is de 15 minutenstad een pleidooi voor de herwaardering van de stadsbuurt als omgeving voor het dagelijks leven, waarbij essentiële voorzieningen voor iedereen binnen een straal van een kwartiertje wandelen of fietsen van de woning zouden moeten te vinden zijn. De essentiële economie (of ‘the foundational economy’) is die tak van de economie die zich bezighoudt met basisvoorzieningen en collectieve consumptie. De lockdowns tijdens de pandemie van 2020-21 maakten zowel het leven in de eigen buurt, als de betekenis van essentiële voorzieningen heel concreet. Ondanks kritische stemmen die in de 15 minutenstad een opstap zien naar gentrificatie, denken wij dat de 15 minutenstad een valide en bruikbaar planningsconcept is dat in een stedelijke omgeving kan bijdragen aan de ontwikkeling van essentiële diensten en voorzieningen. De voorwaarde daarvoor is wel dat publieke en private voorzieningen gericht op kwetsbare groepen als onderlegger worden gezien.
Tristan Claus, doctoraatsonderzoeker bij KU Leuven Faculteit Architectuur KULeuven : Vlaanderen en Nederland: palaverplanologie in de Lage Landen
Een Nederlander en een Vlaming palaveren ieder vanuit hun bubbel over de ruimtelijke planning in de Lage Landen. Dit klinkt als het begin van een goede mop, maar dat is het allerminst. In hun dialoog vergelijken en bekritiseren de vrienden de manier waarop Vlaanderen en Nederland omgaan met hun grote ruimtelijke vraagstukken. Denk in Nederland aan de woningnood, stikstof en klimaat. Daarenboven verkondigt Vlaanderen al tien jaar geen bijkomende ruimte meer in te nemen tegen 2040, maar slaagt ze er niet in die plannen om te zetten in beleid. In het gesprek sabelt de Vlaming de Vlaamse planningspraktijk neer. Het geïmproviseerde niemandsland tussen steden en dorpen staat in schril contrast met de Nederlandse planmatige aanpak die resulteerde in groeikernen als Zoetermeer, Nieuwegein en Almere. De Nederlander is het daar niet mee eens. Hij ziet de charme van die houtje-touwtje oplossingen en hekelt de Nederlandse organisatiedrang om alle ruimte van bovenaf te structureren. Nederland kent tenminste geen ingewikkelde versnippering van bevoegdheden zoals de opeenvolgende staatshervormingen in België hebben teweeggebracht, klaagt de Vlaming. De Nederlander benadrukt dat Nederland ook een versnippering kent, al is die eerder horizontaal dan verticaal. Deze paper behandelt de convergentie tussen de planningspraktijken in Vlaanderen en Nederland. Net zoals de internationale vrienden langzaam naar elkaar toe bewegen in hun gesprek, lijken immers ook de Nederlandse en Vlaamse planningsdiscoursen naar elkaar toe te bewegen. Is de gulden middenweg de weg voorwaarts? Of ligt de oplossing voor hun ruimtelijke vraagstukken tegenwoordig elders?
Marjolijn Claeys, bestuurder bij Voorland Gent
Jan Comhair, Provincie Vlaams Brabant
Lieve Custers, UHasselt, Buro Boris
Katrien Devreese, ruimtelijke planning provincie West-Vlaanderen
Valerie Dewaelheyns, doctoraatsstudent KU Leuven : Breek de tuin open

De eerste lockdown in Vlaanderen stelde de eigen perceelsgrenzen op scherp. Grenzen die plots bepaalden waar ons leven zich de komende tijd zou afspelen: de woning, en voor wie geluk had ook een tuin. Een groene buitenruimte die heel dichtbij en altijd bereikbaar is, die toelaat om in een natuurlijke omgeving even te ontsnappen aan de stress. Een private buitenruimte die het ook mogelijk maakte om sociale contacten te onderhouden. Deze ‘tuinbubbels’ spelen in op persoonlijke noden en houden zich mooi aan de perceelsgrenzen. Dat we ook buiten die lijnen kunnen kleuren is geen evidentie. Toch kan de betekenis en rol van tuinen de perceelsgrenzen overstijgen. Uit een bubbel breken kan maar als je de bubbel zelf openbreekt. Van binnenuit én van buitenaf. Wie zijn de brekers die de tuinbubbels kunnen openbreken, en met welke breekijzers? Vanuit onderzoek, beleid én praktijk gaan we samen op zoek. 1. ‘Breek de tuin open’ door de ruimere impact van een tuin mee te nemen in beslissingen rond ontwerp, inrichting én beheer. 2. ‘Breek onderzoek naar tuinen open.’ Bouw vanuit een inter- en transdisciplinaire blik inzichten op over de brede rol van tuinen en tuiniergedrag in maatschappelijke uitdagingen. 3. ‘Breek het omgevingsbeleid open.’ Verruim de blik op tuinen als strikt private ruimte richting collectieve verantwoordelijkheden. Reik beleidsmakers op alle niveaus, burgers, middenveldorganisaties en tuinprofessionals de nodige instrumenten aan. Laten we er aan beginnen en de tuinbubbels openbreken, zodat we ruimte hebben om te zaaien.

Jaimy van Dijk, student Universiteit Utrecht : Een wandeling met de toekomst

Planologen houden zich bezig met de toekomst. Ten minste: dat zouden ze moeten doen. De één doet dat expliciet bij het schrijven van een omgevingsvisie, de ander impliciet bij het zoeken naar een geschikte locatie om huizen te bouwen. Die langetermijnoriëntatie van de planologie is belangrijker dan ooit. De laag gelegen Nederlandse delta staat aan de vooravond van een aantal grote transities. Voorspellingen rondom klimaatverandering en zeespiegelstijging lijken de omgang met ruimte fundamenteel te gaan veranderen – hernieuwbare energie vormt een grote ruimteclaim, evenals klimaatadaptatie. Huidige plannen hebben een tijdshorizon van 30 jaar. Maar daarna is het landschap niet af of klaar. De beslissingen van vandaag hebben invloed op de leefomgeving van de toekomstige generaties. De toekomst is inherent onzeker, maar gezien de hedendaagse uitdagingen moeten we dat omarmen en daarop anticiperen. Een vaardigheid die daarbij kan helpen is Toekomstgeletterdheid (Futures Literacy). In dit paper laat ik zien hoe dit zou kunnen. Dit doe ik door de interventie van ‘de Zompige Paden’, een wandeling door de tijd waarin de veranderpaden van de ruimtelijke inrichting van Nederland worden verkend. Dit experiment heb ik in drie heel verschillende planologische situaties toegepast. Deze experimenten waren vooral gericht op het ontwikkelen van de methode. Om verandering teweeg te brengen zijn er een aantal lessen voor de toepassing van toekomstige wandelingen geformuleerd.

Thomas Dillon Peynado, Vereniging Deltametropool : Stad x Ruimte, ontwerpstudie naar de stad in doorsnede

Door het samenkomen van vele opgaven en transities (energie, klimaat, circulariteit, mobiliteit) in almaar verdichtende steden, neemt de druk op de openbare ruimte toe. Zeker nu deze steden ook een groot aandeel in de woningbouwopgave moeten absorberen, om het landschap te sparen en de druk op het huidige mobiliteitssysteem te verminderen. De huidige en toekomstige ruimteclaims vragen om zorgvuldige afwegingen van de mogelijkheden om effectiever en efficiënter met ruimte om te gaan, met als doel het ‘ruimtelijk rendement’ van de stad op een innovatieve wijze op te drijven. Het Centrum Ondergronds Bouwen (COB), Departement Omgeving van de Vlaamse overheid, TU Delft en Vereniging Deltametropool lanceerden daarom in 2021 gezamenlijk de ontwerpstudie Stad x Ruimte. De kernvraag hierbij is: ‘Hoe kan integraal en multifunctioneel ruimtegebruik, van openbare ruimte, ondergrond en gebouw binnen een verdichte stedelijke omgeving, ruimte en waarde creëren die bijdragen aan een aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving?’ Het gaat om steeds een door de gemeente aangedragen locatie in Oostende, Rotterdam, Amsterdam, Mechelen, Leuven en Maastricht, waar een ruimtelijke opgave ligt die mogelijk opgelost kan worden door ondergrond, bovengrond en gebouwen te beschouwen als een samenhangend systeem; één driedimensionale ruimte. Deze aanpak moet leiden tot nieuwe inzichten die bijdragen aan ruimte- en waardecreatie in de vorm van een aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving. Tegelijkertijd vergt de overstap naar een integrale aanpak veel inspanning. Gedurende de ontwerpstudie hebben de zeven geselecteerde ontwerpteams laten zien wat zo mogelijk wordt. Stad x Ruimte brengt nu een perspectief waarbij de ondergrond veel meer op de voorgrond komt.

E. Donders, perspective.brussels
David Dooghe, TNO
Marten Dugernier, contract & innovation manager
Eva van Eenoo, Vrije Universiteit Brussel
Erik van den Eijnden, plv. programmamanager Fiets bij Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
David Evers, onderzoeker bij Planbureau voor de Leefomgeving : Corona als (gemiste) kans

Sinds het begin van de pandemie wordt er in ons vakgebied volop gespeculeerd over de mogelijke gevolgen voor steden. Zal Corona een nieuwe periode van de-urbanisatie inluiden? Betekent dit het einde van files of OV? Zijn er in de toekomst nog winkels in onze binnensteden? Tegelijkertijd wordt volop gespeculeerd hoe deze crisis gebruikt kan worden om noodzakelijke transities te versnellen of hervormingen door te voeren: Corona als ‘kans’. Na een paar jaar hebben we meer zicht op wat er feitelijk is gebeurd. Wat voor beleid is gevoerd om de gevolgen van de pandemie te verzachten en is er sprake van ‘kansen grijpen’? Op basis van lopend ESPON onderzoek wordt de ervaringen in de regio Amsterdam toegelicht in het licht van de andere buitenlandse casestudies (ongeveer 12). Voorlopig lijkt het dat er vooralsnog weinig sprake is van kansen grijpen en flankerend beleid. Een reden is de vergaande centralisatie van het Coronabeleid: dit wordt vooral in Den Haag bepaald. Maar een andere reden is dat de ‘kansen’ – als die daadwerkelijk zich voordoen – worden ingepast in het reguliere beleidsontwikkeling en strategie. Tegen de tijd van het Plandag zullen de andere casestudies ook een rijke vergelijkingsbasis bieden.

Teddy de Jong - TU Delft/TNO : Hubs: de verbinder die we nodig hebben

Er is een dringend gebrek aan ruimte in steden, wat invloed op de leefbaarheid, sociale cohesie en economische vitaliteit. In stedelijke gebieden zijn er daarom trends en ontwikkelingen die hierop proberen in te hakken en met een helicopterview kunnen deze als volgt gecategoriseerd worden: demografische trends, retail- en economische trends en de ontwikkelingen vanuit beleidsmakers die bepaalde transities voor ogen hebben zoals een groter gebruik van actieve vervoerswijzen, de energietransitie, autovrije gebieden en ’15-minutensteden’. Het probleem daarentegen bij deze trends en ontwikkelingen is dat deze gevolgen hebben voor de lokale economie en sociale cohesie en kunnen resulteren in een toenemende vraag naar zowel vervoer als ruimte, wat zal leiden tot een toenemende schaarste aan ruimte in steden. Een (mobiliteit) hub is een concept dat potentieel een uitkomst kan bieden voor dit probleem, aangezien het deze trends en ontwikkelingen kan samenbundelen en daarmee efficiënter de ruimte in steden kan gebruiken. Bij het ontwikkelen van deze (mobiliteit) hubs is het van belang dat er een integraal perspectief wordt meegenomen bij het ontwerp, waarbij transport, logistiek en samenkomst centraal staan. Dit vergroot de toegevoegde waarde, maar tevens de complexiteit. Om de ontwikkeling van integrale (mobiliteit) hubs te laten slagen, is samenwerking tussen verschillende stakeholders vereist en dient er een sturingsaanpak vormgegeven te worden. Dus om het ruimtegebrek tegen te gaan, dient er aandacht te worden besteed aan een onderzoek omtrent de governance aspecten omtrent integrale (mobiliteit) hubs, waarbij verschillende sectoren verbonden zullen worden en loskomen uit de bubbel.

Anne van Kuijk, Adviseur Omgevingskwaliteit provincie Noord-Brabant
René van der Lecq, Departement Omgeving, Brussel
Melika Levelt, senior onderzoeker Hogeschool Amsterdam
Floor Loos, student Stedenbouw en Ruimtelijke planning
Isabelle Loris, expert onderzoek bij Vlaams Planbureau voor Omgeving : Vastgoedbubbel. Is wonen nog betaalbaar?
De laatste 5 jaar (2015-2020) zijn de woningprijzen sterk gestegen in België en Nederland. Nochtans werken beide woningmarkten op een andere manier. Zo kent de Belgische woningmarkt een woningoverschot en de Nederlandse een woningtekort. Het ene wijst op een extra aanbod onder de vorm van tweede verblijven, kamers en opbrengsteigendommen in een vrije markt van vraag en aanbod. Het andere wijst op druk vanuit de deeleconomie met o.a. AirBnB en een sterk gereguleerde sociale woningmarkt door de woningcorporaties. De woningmarkt in Nederland en in België is gesegmenteerd, zowel naar type (huur vs. koop) als ruimtelijk (steden vs. landelijke gebieden). Rond die steden zien we dat suburbanisatie en verstedelijking de woningmarkt ruimtelijk oprekken (Randstad, Brabantse stedenrij, Brussel, Antwerpen, Gent). De stedelijke vastgoedbubbel groeit dus zowel ruimtelijk als naar betaalbaarheidsproblematiek. We zien hier verschillende reacties vanuit de markt: enerzijds wordt gepleit voor meer aanbod (door realisatie van uitleglocaties), anderzijds zien we anti-stedelijke coalities om de verstedelijking tegen te gaan in de rand van de grootsteden. Een voorbeeld hiervan is het stadsgewest Gent. Dit artikel analyseert de betaalbaarheid van de wonen in België en Nederland tegen het licht van het gevoerde grondbeleid. Het geeft de trends weer van de afgelopen jaren en doet een aanzet van voorstellen om de woningmarkt betaalbaar te houden.
Aart van der Maas
Mattijs van Maasakkers, Associate Professor Ohia State University en Gastonderzoeker bij TNO gedurende 2021-2022
Matthys Mario, UGent : Animated Spatial Time Machine
Met kennis van het verleden, vandaag plannen voor morgen, is een basisattitude voor elke planner. Idealiter gebeurt dat op basis van tijd-ruimte modellen. Maar planners zijn niet de meest bedreven ‘digitale’ grafische experten. De ruimtelijke kwaliteit wordt op handen gedragen, met Photoshop en Powerpoint als basisinstrumentarium. Geo-loketten worden gehanteerd, maar de manipulatie van geo-data in GIS-omgevingen gebeurt zelden. Met pen en papier worden ruimtelijke ontwerper geschetst, hout en karton voor het maken van maquettes mogen daarbij niet ontbreken. Terwijl 3D city modellen en 3D printing zoveel voordelen bieden. Docent-ontwerpers worden geselecteerd op basis van een academisch parcours, maar dat zijn geen digitale 3D experten. Dat leidt tot digitale incompetentie van afgestudeerden inzake (3D)GIS, 3D, Digital Twin, Smart City, Time machines, Virtual en Augmented Reality. Naast het ontbreken van gedreven 3D skills is de planner ook alleen maar opgeleid om de fysieke wereld te ontwerpen. Waar ‘game developpers’ opgeleid worden tot 3D experten van ruimtelijke omgevingen, wordt té weinig ingezet op digitale innovatie in educatie en beroepspraktijk van de planner. De multiverse werelden zijn planners onbekend, terwijl de pandemie duidelijk maakte dat uit fysieke bubbels breken slechts mogelijk was via de digitale media. We evolueren naar een hybride omgeving waarbij de virtuele en fysieke wereld één geheel zullen vormen. Ruimtelijke planners zijn echter niet klaar voor die toekomstige multiversen. We stellen daarom een “Animated Spatial Time Machine” voor, met geïntegreerde VR/AR gamification tools als 4D online hulpmiddel bij de stedenbouwkundige praktijk in functie van betere ruimtelijke kwaliteit in een hybride toekomst.
Geert Mertens, expert bij Departement Omgeving - Vlaamse Overheid : Omgevingsbeleid bij de tijd

Omgevingsbeleid bij de tijd Geert Mertens Hoe stappen we uit de bubbel van het nu? Onze leefomgeving verandert voortdurend doorheen de tijd. Soms snel, soms traag, en niet overal op dezelfde manier. Honderd jaar geleden zagen onze landschappen er heel anders uit en namen we als mens nog minder ruimte in. Hoe zal het zijn binnen honderd jaar? Wat zullen toekomstige generaties vinden van onze nalatenschap? Als mens gebruiken we onze leefomgeving erg verscheiden doorheen de tijd. Overdag zijn we zeer actief, maar ’s nachts lijkt het leven op veel plaatsen uitgestorven. Ook seizoenen, als natuurlijke cyclus, bepalen sterk ons gebruik van de leefomgeving. In de zomer bruisen toeristische plekken van het leven, maar in de winter is het er stil. Tijd en fysieke leefomgeving zijn innig verstrengeld. Hoe kunnen omgevingsprofessionals de tijdsdimensie beter integreren in omgevingsbeleid?

Anneloes van Noordt, onderzoek bij Departement Omgeving : Klimaat- en ruimtelijke uitdagingen als motor voor duurzame, toekomstbestendige ruimtelijke (wijk)transformatie? – ‘Klimaatwijken’ bekeken door een transitiebril (co-auteur: Igor Struyf)
Vanuit de projecten Klimaatwijken is er de vaststelling dat we bij ruimtelijk-energetische renovatieprojecten van individuele en overwegend korte termijn, eenvoudige oplossingen naar meer collectieve, langere termijn gerichte, en meer complexe oplossingen moeten evolueren. Al te vaak houden projecten nog te veel vast aan de bestaande contexten. Het gangbare stedenbouwkundige patroon wordt daarmee bestendigd; kleinere ingrepen, op individueel woning- en gebouwniveau, moeten zorgen voor een evolutie naar verduurzaming. Een renovatie op deze manier laat veel kansen liggen om onze wijken structureel te verduurzamen. In beleidsdocumenten worden de grote uitdagingen rond met name klimaatverandering, de (potentiële) gevolgen hiervan en de nood aan transitieprocessen met het oog op klimaatneutraliteit doorgaans erkent. De realisatie van deze (middel)lange termijn ambities en beleidsdoelen via korte(re) termijn ingrepen en (ook beleids)acties voor de nodige (ruimtelijke) transitie ontbreekt echter nog steeds. Deze paper vertrekt vanuit de tussentijdse resultaten van de projecten ‘Klimaatwijken’ (Dept. Omgeving, Team Vlaams Bouwmeester, VEKA) om een beter inzicht te krijgen in de belemmeringen voor deze transities en in welke condities nodig zijn om de energietransitie structureel te koppelen aan een duurzaam, toekomstgericht ruimtelijk beleid en ervoor te zorgen dat dit ingebed wordt in een quadruple helix werking voor een zo groot mogelijk maatschappelijk draagvlak. De projecten ‘Klimaatwijken’ haken in en aan gangbare/conventionele al lopende en geplande ontwikkelingsprojecten. De inzichten uit de praktijk worden gekaderd en geduid in het transitiedenken en met behulp van algemene principes en strategieën voor duurzame ruimtelijke ontwikkeling.
Merten Nefs
Ann Pisman, VPO departement Omgeving : Het Ruimterapport 2021. Een rapport over de (trage) veranderingen van de ruimte in Vlaanderen, maar ook een verhaal over nieuwe (minder) ruimtelijke thema’s die steeds belangrijker worden.

Eind 2021 stelden we, het Vlaams Planbureau voor de Omgeving, het tweede Ruimterapport (RURA) voor aan de pers en aan een ruim publiek. De presentatie verliep in twee bubbels. Een uitverkoren beperkt publiek volgde fysiek in de voormalige ‘Kapel der conventuelen’ in de Sancta Maria School in Leuven. Een mooi voorbeeld van een intensief ruimtegebruik (zie website ). Een digitale bubbel van toehoorders zat verspreid over Vlaanderen aan hun computerschermen gekluisterd. Het tweede Ruimterapport heeft eigenlijk een misleidende titel. Enerzijds beschrijft het in een aantal hoofdstukken de veranderingen in de ruimte in Vlaanderen, en de ruimtelijke instrumenten die hieraan hebben bijgedragen. Anderzijds breekt het tweede Ruimterapport uit de ruimtelijke bubbel van het vakgebied. Door de analyse niet aan te vliegen vanuit een klassieke sectorale lezing van de ruimte (wonen, werken, voorzieningen, open ruimte, …) maar wel vanuit brede beleidsuitdagingen als: natuurlijk kapitaal beschermen, stromen verduurzamen of gezonde leefomgeving waarborgen, komen heel wat nieuwe omgevingsvraagstukken naar boven. In de paper voor de Plandag 2022 worden de meest sprekende, minder ruimtelijke analyses uit het Ruimterapport hernomen. Uiteraard is de ruimtelijke benadering nooit helemaal verdwenen. De analyses worden in kaarten van Vlaanderen vertaald, maar tegelijkertijd analyseren we niet louter fysieke veranderingen op niveau van het maaiveld maar brengen we ook stromen, lagen en voorraden in beeld. Hierdoor kunnen we nieuwe spanningsvelden en nieuwe verbindingen concreet benoemen voor Vlaanderen, breder dan de klassieke ruimtelijke bubbel.

An Rekkers, VRP vzw
Stephan Reniers, projectcoördinator Regionet Leuven
Hélène Sambaer, Themaverantwoordelijke Ruimtelijke Planning bij Stad Roeselare : Uitdagingen en innovaties bij binnenstedelijke herontwikkelingsprojecten: het Nederlandse voorbeeld

Terwijl de vraag naar ruimte voor stadsontwikkeling stijgt, groeien duurzamere manieren van landgebruik in belang. Een belangrijke aanpak hierin is het hergebruik of de herontwikkeling van lege of onderbenutte ruimtes en gebouwen. In plaats van nieuwe stukken land aan te snijden, worden brownfields gebruikt om de omgeving op te waarderen. Nochtans verloopt het recycleren van ruimte in de planningspraktijk niet altijd zo gemakkelijk als verwacht. Sommige benaderingen creëren moeilijkheden die de een vloeiende werking van de herontwikkeling van de ruimte tegengaan. Om te anticiperen op deze moeilijkheden kunnen innovatieve planningsaanpakken worden toegepast. In deze paper worden bovengenoemde oplossingen, die samengaan met hun eigen moeilijkheden en dilemma’s, dieper bekeken. Voorbeelden van herontwikkelingsprojecten in de Nederlandse context, zoals bijvoorbeeld het Ebbingekwartier in Groningen, worden gebruikt om hun relevantie te illustreren voor de Vlaamse planningspraktijk. Op deze manier is het minder moeilijk om een heldere afweging te maken welke planningsaanpak gebruikt kan worden voor de herontwikkeling van een bepaalde leegstaande site, en dit steeds afhankelijk van de specifieke situatie en locatie.

Jan Schreurs, Prof. Emeritus bij KU Leuven : Voorbij de bubbel: schuim
Bubbels zijn symbool geworden voor verfoeilijke regels, die ons ‘normale’ leven compleet ontregelen. Opgelegde, sociaal isolerende bubbels zijn we liever kwijt dan rijk. We zijn ze beu, maar misschien hebben die bubbels ons wel gered? Bubbels vormen immers ook de basis van een krachtig immuunsysteem. Peter Sloterdijk onderzoekt in zijn trilogie ‘Sferen’ de omhulsels die onontbeerlijk zijn voor het voorbestaan van leven (Latour, 2017). Bubbels vormen een evidente organisatievorm voor ruimte èn samenleving. Alle bubbels op een hoop gooien en verfoeien is dus minstens voorbarig. Daarenboven leveren vooral bubbels in een hoopje onvermoede eigenschappen. Dat leert ons Schuim, na Bellen en Globes het sluitstuk van Sloterdijks Sferen (2009). Schuim is meerkernig, hiërarchie-loos, flexibel, en tijdsafhankelijk. Het laat toe ‘leven’ te kaderen als multifocaal, multiperspectivisch en heterarchisch. Van dergelijke inzichten maken we gebruik bij het onderzoeken van handelingsvermogens van coalities bij stadsvernieuwingsprocessen. Bij conceptstudies, gesubsidieerd door het Vlaams Stedenbeleid, is het vormen van coalities van vakexperten, beleidsinstanties, communities of interest, communities of practice en stakeholders cruciaal. Dergelijke collectieven kunnen als bubbels worden gekenmerkt wegens hun specifieke taal, kennis, praktijk en attitude. Coalities van dergelijke collectieven werken bijgevolg als een soort schuim. Door de kenmerken van schuim en onze ervaringen met conceptstudie-collectieven (Loeckx et al., 2009; Dehaene et al., 2019) metaforisch over elkaar heen te schuiven willen we een nieuw licht werpen op een inmiddels 20-jarige praktijk. De analyse wil daarbij success- en faalfactoren doen oplichten die verband houden met te formuleren doelstellingen, aard en draagwijdte van gewenste concepten, en interactieve proceskarakteristieken.
Felix Sevenheck, Mitros Utrecht
Annelies Staessen, PhD student/academisch assistent bij Afdeling Mobiliteit en Ruimtelijke Planning, UGent : Suburbia in scene (gezet). Film als instrument voor de ruimtelijke planning.
Uitgaande van de prominente en zelfs erg bepalende rol van beelden, en in het bijzonder ook filmische beelden, in onze huidige gemediatiseerde samenleving, onderzoekt deze paper of en hoe Vlaamse fictie een bijdrage kan leveren voor de ruimtelijke professional. De focus ligt hierbij op het potentieel van film en filmische percepties als interdisciplinair instrument om de dagelijkse leefwereld en culturele omgang met ruimte te verkennen. Dit als aanvulling op de conventionele percepties van stedenbouwkundigen en beleidsmakers op basis van kaartmateriaal, statische gegevens, GIS, ontwerpend onderzoek, citizens science, enz. Filmische percepties representeren, reflecteren en beïnvloeden niet alleen de alledaagse cultuur, inclusief die van het Vlaamse verstedelijkte landschap, maar ook de ruimtelijke evoluties die deze cultuur met zich meebrengt. Op basis van een integrale analyse van deze drie filmische acties – representatie, reflectie en receptie – wordt de verbeelding van de Vlaamse suburbane ruimte als casestudy onderzocht in een selectie van zes contemporaine Vlaamse fictie films. Deze cinematografische benadering combineert een gedetailleerde analyse van ruimtelijke, zowel ruimtelijk-morfologische als ruimtelijke-sociale, representaties in deze films met reflecties in interviews met de regisseurs. Tenslotte verdiepen paneldebatten met de ruimtelijk professionals zich in de receptie en vraag wat dit filmische perspectief zou kunnen betekenen voor een alternatieve manier van plannen. De conclusie illustreert hoe film en deze drievoudige filmische benadering nieuwe perspectieven bieden op de Vlaamse suburbane ruimte. Bovendien kunnen deze opvattingen over suburbia,en de Vlaamse ruimte in het algemeen, in de alledaagse cultuur bijdragen tot een meer aangepaste ruimtelijke ordening.
Veerle Strosse, Departement Omgeving : Een rapport over de (trage) veranderingen van de ruimte in Vlaanderen, maar ook een verhaal over nieuwe (minder) ruimtelijke thema’s die steeds belangrijker worden.

Eind 2021 stelden we vanuit het Vlaams Planbureau voor de Omgeving het tweede Ruimterapport (RURA) voor aan de pers en aan een ruim publiek. De presentatie verliep in twee bubbels. Een uitverkoren beperkt publiek volgde fysiek in de voormalige ‘Kapel der conventuelen’ in de Sancta Maria School in Leuven. Een mooi voorbeeld van een intensief ruimtegebruik (zie website ). Een digitale bubbel van toehoorders zat verspreid over Vlaanderen aan hun computerschermen gekluisterd. Het tweede Ruimterapport heeft eigenlijk een misleidende titel. Enerzijds beschrijft het in een aantal hoofdstukken de veranderingen in de ruimte in Vlaanderen, en de ruimtelijke instrumenten die hieraan hebben bijgedragen. Anderzijds breekt het tweede Ruimterapport uit de ruimtelijke bubbel van het vakgebied. Door de analyse niet aan te vliegen vanuit een klassieke sectorale lezing van de ruimte (wonen, werken, voorzieningen, open ruimte, …) maar wel vanuit brede beleidsuitdagingen als: natuurlijk kapitaal beschermen, stromen verduurzamen, gezonde leefomgeving waarborgen, komen heel wat nieuwe omgevingsvraagstukken naar boven. In de paper voor de Plandag 2022 worden de meest sprekende, minder ruimtelijke analyses uit het Ruimterapport hernomen. Uiteraard is de ruimtelijke benadering nooit helemaal verdwenen. De analyses worden in kaarten van Vlaanderen vertaald, maar tegelijkertijd analyseren we niet louter fysieke veranderingen op niveau van het maaiveld maar brengen we ook stromen, lagen en voorraden in beeld. Hierdoor kunnen we nieuwe spanningsvelden en nieuwe verbindingen concreet benoemen voor Vlaanderen, breder dan de klassieke ruimtelijke bubbel.

Igor Struyf, onderzoeker bij Vlaams Planbureau voor Omgeving (Departement Omgeving) : Klimaat- en ruimtelijke uitdagingen als motor voor duurzame, toekomstbestendige ruimtelijke (wijk)transformatie? – ‘Klimaatwijken’ bekeken door een transitiebril (co-auteur: Anneloes van Noordt)
Vanuit de projecten Klimaatwijken is er de vaststelling dat we bij ruimtelijk-energetische renovatieprojecten van individuele en overwegend korte termijn, eenvoudige oplossingen naar meer collectieve, langere termijn gerichte, en meer complexe oplossingen moeten evolueren. Al te vaak houden projecten nog te veel vast aan de bestaande contexten. Het gangbare stedenbouwkundige patroon wordt daarmee bestendigd; kleinere ingrepen, op individueel woning- en gebouwniveau, moeten zorgen voor een evolutie naar verduurzaming. Een renovatie op deze manier laat veel kansen liggen om onze wijken structureel te verduurzamen. In beleidsdocumenten worden de grote uitdagingen rond met name klimaatverandering, de (potentiële) gevolgen hiervan en de nood aan transitieprocessen met het oog op klimaatneutraliteit doorgaans erkent. De realisatie van deze (middel)lange termijn ambities en beleidsdoelen via korte(re) termijn ingrepen en (ook beleids)acties voor de nodige (ruimtelijke) transitie ontbreekt echter nog steeds. Deze paper vertrekt vanuit de tussentijdse resultaten van de projecten ‘Klimaatwijken’ (Dept. Omgeving, Team Vlaams Bouwmeester, VEKA) om een beter inzicht te krijgen in de belemmeringen voor deze transities en in welke condities nodig zijn om de energietransitie structureel te koppelen aan een duurzaam, toekomstgericht ruimtelijk beleid en ervoor te zorgen dat dit ingebed wordt in een quadruple helix werking voor een zo groot mogelijk maatschappelijk draagvlak. De projecten ‘Klimaatwijken’ haken in en aan gangbare/conventionele al lopende en geplande ontwikkelingsprojecten. De inzichten uit de praktijk worden gekaderd en geduid het transitiedenken en algemene principes en strategieën voor duurzame ruimtelijke ontwikkeling.
Julien Thomas, founder/associate Perception Design Studio / Public Mediation : Negotiating values through visuals: Mental and physical map-making in the Dutch energy transition

After years of policymaking on the national level, Dutch provinces and cities are taking a lead in the energy transition. Renewables are now taken seriously, with plans being drafted and contracts drawn up. Yet at this critical juncture, citizens are organising to stop the plans in their tracks. While a majority of voters are behind this transition, the practical steps to carbon reductions reveal a striking chasm between the value frames of policymakers and citizens. Over the past year we’ve been devising visual methods to bridge the gap between residents’ and planners’ visions for the energy transition. Using mental maps we have explored how stakeholders enter conversations with different spatial reference points, and by inviting citizens to draw their local area, we have translated the lived experiences of residents so that policymakers can incorporate under-represented values into energy policy. For our practice discussion, we propose to elaborate on the role of visual methods in expanding the value frames of stakeholders in the energy transition. We will share examples from two cases (Noordzeekanaalgebied Co-creatie Pilot and Gemeente Amsterdam Regionale Energiestrategie), and provide background research to expand on the role of visuals in building more comprehensive policy frames. Our research will draw on fields ranging from cognitive science and critical cartography, to policy studies and participatory design. Through discussion, we aim to enliven a discussion on the role and application of visual methods to support planners and policy makers in finding workable solutions for the energy transition.

Tess Tjokrodikromo, junior onderzoeker bij TNO : Leren(d) innoveren: hoe kan een gemeente haar innovatiecapaciteit vergroten?

Maatschappelijke uitdagingen waar publieke organisaties mee te maken hebben, zijn in de afgelopen jaren steeds complexer geworden. Om deze maatschappelijke uitdagingen aan te gaan moeten publieke organisaties innoveren. Waar bureaucratieën oorspronkelijk georganiseerd zijn rondom efficiëntie en legitimiteit wordt van hen nu ook verwacht dat zij kunnen innoveren en transformeren. In het kader van klimaatverandering en snelle urbanisatie zijn transformaties nodig op het gebied van energie, mobiliteit en de gebouwde omgeving. Deze transformaties komen tot uitdrukking op het niveau van een stad of regio, daarom hebben gemeentes hierbij vaak een belangrijke rol. Deze paper draagt bij aan de discussie hoe gemeentes een institutionele omgeving kunnen creëren die technologische en sociale innovatie stimuleert. In dit onderzoek zijn meerdere raamwerken met betrekking tot innovatiecapaciteit geïntegreerd in één operationeel raamwerk om de innovatiecapaciteit van gemeentes te analyseren. Innovatiecapaciteit wordt gedefinieerd als het geheel van competenties en omstandigheden dat innovatie in een organisatie ondersteunt. De elementen die in dit raamwerk naar voren komen zijn: leiderschap, organisatie, kennismanagement, netwerk en leren. Het operationele raamwerk is getest bij twee gemeentes die werken aan een Smart City project. Op basis van dit onderzoek wordt een aantal aanbevelingen gedaan voor het verbeteren van innovatiecapaciteit in deze gemeentelijke organisaties. Enkele aanbevelingen zijn: het ontwikkelen van een visie om een innovatiever organisatieklimaat te realiseren, het creëren van vaste structuren voor kennisdeling en het besteden van meer aandacht aan leren.

Tymke Ton : Tijd om te Zorgen? Socio-Temporele Configuraties van Huishoudelijk Werk in Gent

Dit paper baseert zich op een masterproef dat de wederzijds constitutieve relatie tussen stedelijke ruimte en huishoudelijk werk onderzocht in drie Gentse wijken, met als doel de kenniskloven tussen sociale reproductietheorie en urbanistiek te overbruggen. Dit onderzoek stelt eerst de ondergeschikte positie van huishoudelijk werk binnen de kapitalistische samenleving vast en verkent daarmee de dialectische relatie tussen ruimte en samenleving door de lens van huishoudelijk werk. Door het belang van tijd in beide theoretische benaderingen te benadrukken, kan de socio-temporele organisatie van huishoudelijk werk worden beschouwd als het resultaat van (i) historische continuïteiten en patronen binnen het kapitalisme in de organisatie van huishoudelijk werk, (ii) beslissingen over tijdsindeling, (iii) visies, ambities en vooruitzichten met betrekking tot iemands rol in het huishouden of de gemeenschap, en (iv) sociale ritmes. Uit een kwalitatieve analyse van negen interviews blijkt dat huishoudelijk werk een op de markt gebrachte activiteit is geworden die belangrijk is voor het creëren van een gevoel van plaats en gemeenschap. Het sociale belang van productiviteit beïnvloed huishoudelijk werk op zowel ruimtelijk als persoonlijk niveau. Het gevolg is een omgeving waarin de grens tussen “werk” en “ontspanning” niet representatief is voor de werkelijkheden van huishoudelijk werk. Met name goedkopere buurten hebben vaak minder gemeenschappelijke of commerciële ruimtes die meer flexibiliteit zou geven in de organisatie van huishoudelijk werk. Dit paper concludeert een socio-temporele stadsanalyse waarin huishoudelijk werk centraal staat een manier is om uit de bubbel van individualisme te breken die zoveel druk legt op dagdagelijkse zorg.

Isolde Vandemoortele, student VUB Brussel
Geoffrey Vanderstraeten, Beleidsmedewerker Departement Omgeving
Wiet Vandaele
Elke Vanempten, ILVO & VUB
Floor Vandevenne, Departement omgeving, Afdeling Vlaams planbureau voor Omgeving : Health in all policies: van idee naar (ruimtelijke) praktijk.

De voorbije jaren zagen we binnen de ruimtelijke discipline een vernieuwde aandacht voor gezondheidsaspecten. Ook maatschappelijk en beleidsmatig wint het thema aan belang. Binnen de strategische visie van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen is ‘gezondheid’ één van de 10 kernkwaliteiten van de leefomgeving. Tegelijk werden diverse onderzoeksrapporten, indicatoren, tools en handboeken ontwikkeld die ruimtelijke projecten en plannen moeten helpen om ‘gezonde omgevingen’ te realiseren. In de praktijk zien we wel enkele goede voorbeelden, maar toch lijken we er tot nog toe niet in te slagen om gezondheidsdoelstellingen structureel onderdeel uit te laten maken van de ruimtelijk beleidspraktijk. Nochtans is ook de gezondheidssector vragende partij om uit de klassieke beleidsbubbel te breken. Onze gezondheid wordt immers niet alleen bepaald door onze leefstijl en genetische factoren of toegang tot zorg. De Wereldgezondheidsorganisatie ijvert er daarom met een Health in All Policies aanpak voor om het gezondheidsbeleid te verankeren en concreter maken over beleidsdomeinen heen. Hierbij wordt in grote mate gekeken naar het ruimtelijk beleid, en bij uitbreiding omgevingsbeleid. Het leven in omgevingen waarin schadelijke effecten worden beperkt en positieve effecten worden gemaximaliseerd, betekent een belangrijke meerwaarde voor gezondheidspreventie. In dit artikel worden enkele recente evoluties rond het thema gezondheid binnen het Vlaamse ruimtelijk en omgevingsonderzoek en -beleid geschetst en gespiegeld aan de idee en verwachtingen vanuit de health in all policies gedachte. Vanuit een kritische reflectie worden richtingen voor effectieve manieren om gezondheid beter te verankeren binnen de ruimtelijke beleidspraktijk verkend.

Axel Verachtert, beleidsmedewerker Groene Infrastructuur bij Departement Omgeving
Peter Vervoort, onderzoeker bij Departement Omgeving - VPO / Universiteit Antwerpen - CRESC : Health in all policies: van idee naar (ruimtelijke) praktijk

De voorbije jaren zagen we binnen de ruimtelijke discipline een vernieuwde aandacht voor gezondheidsaspecten. Ook maatschappelijk en beleidsmatig wint het thema aan belang. Binnen de strategische visie van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen is ‘gezondheid’ één van de 10 kernkwaliteiten van de leefomgeving. Tegelijk werden diverse onderzoeksrapporten, indicatoren, tools en handboeken ontwikkeld die ruimtelijke projecten en plannen moeten helpen om ‘gezonde omgevingen’ te realiseren. In de praktijk zien we wel enkele goede voorbeelden, maar toch lijken we er tot nog toe niet in te slagen om gezondheidsdoelstellingen structureel onderdeel uit te laten maken van de ruimtelijk beleidspraktijk. Nochtans is ook de gezondheidssector vragende partij om uit de klassieke beleidsbubbel te breken. Onze gezondheid wordt immers niet alleen bepaald door onze leefstijl en genetische factoren of toegang tot zorg. De Wereldgezondheidsorganisatie ijvert er daarom met een Health in All Policies aanpak voor om het gezondheidsbeleid te verankeren en concreter maken over beleidsdomeinen heen. Hierbij wordt in grote mate gekeken naar het ruimtelijk beleid, en bij uitbreiding omgevingsbeleid. Het leven in omgevingen waarin schadelijke effecten worden beperkt en positieve effecten worden gemaximaliseerd, betekent een belangrijke meerwaarde voor gezondheidspreventie. In dit artikel worden enkele recente evoluties rond het thema gezondheid binnen het Vlaamse ruimtelijk en omgevingsonderzoek en -beleid geschetst en gespiegeld aan de idee en verwachtingen vanuit de health in all policies gedachte. Vanuit een kritische reflectie worden richtingen voor effectieve manieren om gezondheid beter te verankeren binnen de ruimtelijke beleidspraktijk verkend.

Rien van de Wall, projectleider/onderzoeker bij Vereniging Deltametropool : Acht sleutels voor grensverleggend samenwerken

Wat zijn de succesfactoren en aandachtspunten voor over de landsgrens heen samenwerken in de domeinen van ruimte, mobiliteit en landschap? Ervaringen en inzichten uit beleids-, praktijk- en kennishoek wijzen uit dat het voor grensregio’s onder andere belangrijk is een gezamenlijk verhaal te schrijven, elkaars planningscultuur te begrijpen, samen kennis en data op te bouwen en anders tegen traditionele centrum-periferie verhoudingen aan te kijken.

Sarah Wauters, student Stedenbouw & Ruimtelijke Planning (KU Leuven)
Zemiattin Yildiz, PhD candidate, Rijksuniversiteit Groningen : Urban re-development: planning within, through and across bubbles

Over the past decades spatial transitions of former industrial areas to new urban quarters with distinctively urban functions (e.g. New York Battery Park, Boston Harbourfront, London docklands, Port City Amsterdam, HafenCity Hamburg and Port of Antwerp) have become pervasive in many medium-sized cities in Europe. This type of urban redevelopment has further accelerated due to housing shortages and economic restructuring. Such transformations generally last over several decades and are, thus, marked by the strong relationality between evolving planning contexts (privatization, decentralization), urban dynamics, urban policies and (dis)associated spatial (spatial) ideologies. Daily planning practices are situated within this complexity while institutional arrangements at local, regional and national levels are often seen as unsupportive or slowly adapting. Moreover, concerns grow about the positive impacts of (such) urban re-development on (polarization of) quality of life among the urban population. Drawing on urban re-development in Oude Dokken, Ghent (Flanders, Belgium), the former CiBoGa area in Groningen (The Netherlands) and Stadthäfen Münster (Germany) this paper provides comparative insights on past and contemporary planning approaches in different institutional envelopes. It engages with the question how planners could move from command-and-control and collaborative planning routines towards more relational (complexity) planning approaches to provide room for emergent, non-governmental forms of planning, such as, self-governance and self-organization. Moreover, it reflects on how daily planning practices and institutional arrangements may alter, or themselves could be adapted in response to, the socio(economic) implications and policies of urban re-developments, therewith seeking to bridge the bubbles between planning and urban practices and imageries.

Bart de Zwart, senior onderzoeker bij Fontys Hogescholen : Parels van creativiteit
Anno 2022 worden de agenda’s van de markt en politiek bepaald door de transities rondom gezondheid, mobiliteit, klimaat en economie. Gemeenschappen die creatief en innovatief met die uitdagingen omgaan zijn niet alleen robuust genoeg om ze te absorberen maar kunnen problemen die op ze af komen ook tijdig herkennen en adresseren. Om de veerkracht in een gemeenschap te ontwikkelen, zijn plekken nodig waar opgaven, middelen, mensen en ideeën bij elkaar komen. Een plek waar bubbels worden doorbroken. Bijna iedere stad kent wel een aantal plekken, zoals broedplaatsen, waar kunstenaars, makers, ontwerpers bij elkaar komen om te creëren en waar bubbels worden doorbroken. Het zijn locaties waar ontmoeting tussen groepen inwoners en professionals tot stand komt; waar innovatie, kruisbestuiving en cultuur worden geproduceerd. Wat opvalt is dat deze parels van creativiteit en ontmoeting vaak zelf als bubbel functioneren ondanks de vele en diverse verbindingen die ze tot stand brengen. Veel broedplaatsen hebben de reputatie een gesloten bolwerk te zijn. Dit maakt hun bubbel kwetsbaar. Creatieve vrijplaatsen staan regelmatig onder druk door krachten van buiten de invloedssfeer van hun organisatie. In dit artikel onderzoeken we de veerkracht van de organisaties die de creatieve plekken beheren en welke strategieën er nodig zijn om in een verhitte vastgoedmarkt te overleven en condities te scheppen voor de makers, kunstenaars en de processen die er plaatsvinden.