Thema: Gedrag( )en Ruimte

Mensen gedragen zich zelden zoals een ruimtelijke professional het bedenkt. De vraag is hoe ruimtelijke professionals beter kunnen inspelen op gedragsuitingen van mensen. Ruimtelijke (beleids)keuzes kunnen dan een betere bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. We willen hierover met u van gedachten wisselen op de PlanDag 2018.

We nodigen u uit het debat te voeden door uw kennis en ervaringen samen te brengen in een paper, een praktijkbeschrijving of een opiniestuk. U kunt ons uw abstract bezorgen tot en met maandag 12 februari 12.00. Uw definitieve paper, praktijkbeschrijving of opiniestuk ontvangen we graag op uiterlijk woensdag 11 april 2018.

De ruimtelijke professional weet wel dat keuzeprocessen van mensen (die zich uiten in gedrag) bepalend kunnen zijn voor het slagen van ruimtelijke projecten en beleid. Toch is het geen automatisme om hier actief rekening mee te houden. Vaak gaapt er een gat tussen ‘het plan’ en hoe mensen daadwerkelijk met de ruimte omgaan. Met ruimtelijke ingrepen willen we als professional bijdragen aan het realiseren van maatschappelijke doelen, en zorgen voor een goede verbinding met de gedragspraktijken van mensen. Neem nu de ambitie uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen om een halt toe te roepen aan de ongecontroleerde suburbanisatie. De beleidsmakers in Vlaanderen hebben inmiddels vastgesteld dat ze ondanks hun beleidsrealisaties nog altijd onvoldoende grip hebben gekregen op de suburbanisatie en de versnippering van de open ruimte (Ruimte Vlaanderen, 2012) en dat hiervoor tevens maatregelen nodig zijn die zich richten op gedragswijziging bij burgers, ontwikkelaars en bestuurders (Ruimte Vlaanderen, 2016). Ook in Nederland is een verschuiving zichtbaar. Het MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport) focust niet meer alleen op wegaanleg en -inpassing, maar ook op doelgroepen, gedrag en gebruik (IenM, 2016).

De gedragseconomie biedt interessante aanknopingspunten voor ruimtelijke professionals om na te gaan hoe menselijk gedrag kwaliteitseisen stelt aan de ruimtelijke beleidsvorming en -realisatie.

Gedragseconoom Shefrin (2002) benoemt drie aandachtspunten, die elk hun waarde hebben voor vertaling naar de ruimtelijke ontwikkelingspraktijk. Het eerste aandachtspunt betreft gewoonteregels van mensen, wetende dat 95% van de menselijke beslissingen gebeurt door mentale shortcuts: wat je kent, is de norm. De conclusie van een jongerenbevraging van Steunpunt Jeugd vzw (2012) dat de woonsituatie van jonge mensen ontegenzeglijk hun woonvoorkeuren en mening over hoe de toekomstige ruimte bepaalt, illustreert dit.

Het tweede aandachtspunt is groepsselectie (framing) waarbij een individu voor het begrijpen van en reageren op gebeurtenissen afhangt van een mentaal/emotioneel filter bestaande uit anekdotes en stereotypes. Gedragspraktijken zijn cultureel bepaald. De bewoner van een Belgische verkaveling (en dat zijn er veel), bijvoorbeeld, kan zich moeilijk inbeelden hoe de VINEX-Nederlander zich tevreden stelt met een postzegeltuin. Compact wonen is in Vlaanderen nog altijd een zeer gevoelig maatschappelijk debatthema waarbij politici zich in bochten wringen om een aantal noodzakelijke veranderingen niet al te bruusk te moeten communiceren. Andersom was Nederland te klein toen de vorige Nederlandse minister voorstelde om de bouwregels aan de kust te versoepelen: “Belgische toestanden”, zo stond er in alle kranten. Het cultuurvraagstuk is nog een stap complexer in onze multiculturele grootsteden. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest experimenteert met zijn stadsontwikkelingsplannen om verschillende cultuurgebonden aspiraties te verbinden en de sociale cohesie te bevorderen.

Het derde aandachtspunt dat Shefrin ziet binnen de gedragseconomie is het ontstaan van marktinefficiënties als gevolg van irrationele besluitvorming van mensen. Mensen nemen als gevolg van gewoonteregels en framing een pak beslissingen met een suboptimale uitkomst in relatie tot hun eigen belangen. Ze vertonen struisvogelgedrag waarbij ze wegkijken van rationale informatie die nochtans zeer laagdrempelig ter beschikking is. U begrijpt dat de ruimtelijke professional die denkt met allerhande sterke maatschappelijke argumenten het individueel keuzegedrag te kunnen sturen, al vaak van een koude kermis is thuisgekomen.

Aanvullend op de aangehaalde aandachtspunten is de focus die gedragswetenschappers en beleidsmakers de laatste jaren hebben voor het fenomeen ‘nudging’ om maatschappelijke uitdagingen aan te gaan. Nudging komt neer op het aanbrengen van kleine veranderingen in systemen als gevolg waarvan mensen onbewust hun gedrag bijsturen. Voorbeelden van nudges zijn het plaatsen van fruit op ooghoogte van kassa’s in supermarkten en kantines zodat mensen gezonder gaan eten of het aanbrengen van voetsporen richting de trap zodat minder mensen de lift nemen.

Veranderingen in de ruimte kunnen zorgen voor gedragsverandering. Volkskant Magazine publiceerde bijvoorbeeld een interview met een omgevingspsycholoog – Agnes van den Berg, RUG – en refereert naar studies die aantonen dat een realisatie van 10% meer groenvolume in dichtbevolkte stadswijken als Bos en Lommer in Amsterdam zoveel extra geluk genereert, dat de zorgvraag in Nederland voor een bedrag van 65 miljoen euro per jaar zal krimpen en de kosten als gevolg van ziekmeldingen dalen met 328 miljoen per jaar (Volkskrant Magazine, 5 augustus 2017).

Zoals het laatste voorbeeld laat zien, is het voor de ruimtelijke professional niet alleen zeer relevant om rekening te houden met menselijk gedrag maar loont het ook de moeite om hierop in te spelen met ruimtelijke ingrepen. Het kennisplatform voor omgevingspsychologie waarschuwt wel: zonder grondige gedragsanalyse is het waarschijnlijk dat ingrepen in de omgeving niet het beoogde effect zullen sorteren (Weghorst, 2017). De hoogste tijd dus voor ons ruimtelijk professionals om ons te verdiepen in het menselijk gedrag en te leren van de gedragswetenschappers.

De clusters van vragen die we mogelijk in de sessies aan de orde kunnen laten komen, kunnen u wellicht inspireren bij het schrijven van uw bijdrage en deel te nemen aan het debat.

 

 

Bronnen

  • Laukens, J. en K. Gijsel (2012), Onderzoeksrapport ‘Jongeren over ruimte in 2050’, enquête in functie van het Beleidsplan Ruimte, Steunpunt Jeugd vzw: Brussel
  • Ministerie van IenM (2016), Aanbieding kabinetsreactie IBO Flexibiliteit in Infrastructurele Planning, september 2016
  • Shefrin, H. (2002), Behavorial decision-making, forecasting, game theory, and role play, in: International Journal of Forecasting 18, pp. 375-382
  • Vermeulen, M. (2017), Stuur ze vooral het bos, in: Volkskrant Magazine, 5 augustus 2017, pp.48-51
  • Vlaamse Regering (2012), Groenboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, departement Ruimte Vlaanderen: Brussel
  • Vlaamse Regering (2016), Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, departement Ruimte Vlaanderen: Brussel
  • Weghorst, M. (2017), Nudging: hoe doe je dat?, op: www.omgevingspsycholoog.nl, kennisplatform voor omgevingspsychologie: Den Haag